Helma Keizer-Heeres veroordeeld voor Franeker schoonmoedermoord

Misdaadjournalist Hendrik Jan Korterink schrijft: “De rechtbank in Leeuwarden heeft de 48-jarige Helma Keizer-Heeres, schoondochter van Pietje Bouma uit Franeker, veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf wegens doodslag. Voor moord met voorbedachten rade ontbreekt volgens de rechters het bewijs. Helma ontkent, maar de rechtbank acht bewezen dat zij de dader is omdat bloed- en schoensporen van haar zijn aangetroffen in de flat. Bovendien kwam ze met een wond aan haar vinger bij de naburige Spar pleisters kopen. ‘Moord met voorbedachten rade’ is een uitdrukking die de laatste tijd telkens weer wordt gebruikt. Taalkundig gezien is dit fout (pleonasme): bij moord is er altijd ‘voorbedachte rade’, anders is het doodslag of dood door schuld. Vroeger gold dit als een van de klassieke fouten in de journalistiek, maar kennelijk is er ergens iets veranderd.”

Hoe dan ook, het verslag van het proces tegen Helma Keizer-Heeres (‘de koektrommelmoord’) staat HIER.

Foto’s van Hyves

REQUISITOIR J.H. Heeres

Geachte voorzitter, leden van de rechtbank, geachte raadsman,

Inleiding

Het is zondag 14 maart 2010: de lange winter lijkt voorbij, maar je kan niet zeggen dat het lente is. De lente van 2010 zou mevrouw Pietje Bouma niet meer meemaken want op deze grijze, kille dag in maart wordt haar stoffelijk overschot aangetroffen door personeel van verzorgingstehuis De Froonacker. Gealarmeerd door een medebewoonster, mw. Deelstra-van der Vliet, gaan twee personeelsleden van het tehuis, Jikke Visser en Hilda Fortuin een kijkje nemen in haar appartement op nr. 3. Daar doen ze een gruwelijke vondst: in de hoek van de badkamer, enigszins uit het zicht gehouden door een douchegordijn ligt het ontzielde lichaam van mw. Bouma in een poel van bloed.112 wordt gebeld, de huisarts komt ter plaatse en even later ook de politie. Diezelfde dag wordt er een zgn. TGO Team Grootschalig Opsporing geformeerd en wordt er vanaf de eerste minuut hard gewerkt aan de opsporing van de dader(s) van dit afschuwelijke feit. In de Froonacker is het in die eerste dagen een komen en gaan van politie in uniform, rechercheurs in burgertenue en zgn. mannen in witte pakken van de dienst Forensische Opsporing, vaak vergezeld door deskundigen van het Nederlands Forensisch Instituut. Want tactisch en technisch (forensisch) onderzoek gaan tegelijk van start. De tactische rechercheurs gaan meteen aan de slag met zaken als een buurtonderzoek, het horen van diverse getuigen: personeelsleden van de Froonacker, medebewoners en familieleden van het slachtoffer. En de forensische rechercheurs houden zich bezig met minutieus onderzoek op de plaats van het delict ter beantwoording van de vragen: wat is hier gebeurd? Wat is de doodsoorzaak? En welke sporen heeft de dader of de daders mogelijk achtergelaten? Dat laatste leidt uiteindelijk tot een doorbraak in het onderzoek, te weten de aanhouding van verdachte Heeres.

Opbouw requisitoir

Verdachte Heeres is een ontkennende verdachte en wordt in deze proceshouding gesteund door haar man en kinderen. Dat is menselijkerwijs niet verwonderlijk. Voor deze gezinsleden is het niet te vatten dat hun vrouw/moeder verdacht wordt van zo’n gewelddadig feit. Hun leven stond vanaf 2 april 2010, de dag van de aanhouding van verdachte, totaal op z’n kop. Het contact tussen deze gezinsleden en de familierechercheurs is, naarmate het voorarrest van verdachte langer duurde, minder goed geworden. De indruk bestaat (en dat valt ook uit de tapgesprekken af te leiden) dat er veel wrok is tegen politie en justitie. Mijn stelling is dat dat niet terecht is. Daarom is er mij veel aan gelegen om vandaag te illustreren dat het onderzoek zorgvuldig en uitgebreid is geweest, dat het lange tijd ook heel breed is gehouden en dat er allerminst sprake was van een heksenjacht op verdachte Heeres.

In het eerste deel van mijn requisitoir komen de volgende onderwerpen aan bod:
- bijzonderheden uit het tactisch onderzoek: iets over het slachtoffer, hoe haar overlijden aan het licht kwam, wanneer zij door getuigen voor het laatst in leven is gezien en tenslotte enkele opvallende zaken uit de getuigenverhoren. Dit alles heeft de volle aandacht van het team gehad;
- bijzonderheden uit het technisch/forensisch onderzoek, in het bijzonder de sectie; de vraag of er in het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voorhanden is en hoe het feit gekwalificeerd dient te worden. In het bijzonder zal ik ingaan op de vraag of verdachte Heeres tijd en gelegenheid heeft gehad het feit te plegen;
- tenslotte wil ik niet onbesproken laten welke vragen helaas onbeantwoord zijn gebleven. In het tweede deel van mijn betoog zal ik aandacht besteden aan de strafbaarheid van verdachte en uw rechtbank een eis overleggen.
- Ik begin met het tonen van een overzichtsfoto [plaatje!] van een deel van Franeker. Hierop zijn diverse locaties te zien die in dit onderzoek voorkomen. Opvallend dicht bij elkaar gelegen zijn: verzorgingstehuis “De Froonacker’, aangrenzend hotel ‘De Valk’, daartegenover de Spar en weer even verderop: de recreatieplas gelegen aan de Severander.

Het tactisch onderzoek

1. Het slachtoffer

Het slachtoffer is mevrouw Pietje Bouma, geboren op 2 november 1940, moeder van vier volwassen kinderen, gescheiden, alleen wonend. Wat was zij voor een vrouw? Vele getuigen zijn hierover gehoord en de beschrijvingen lopen soms uiteen: ze was verbitterd, zielig, ze oogde niet gelukkig, een moppermevrouw noemt iemand anders haar. Maar door anderen wordt zij ook een lieve vrouw genoemd, gevoelig, tenger en weerloos door haar fysieke conditie. Uit vele verklaringen komt naar voren dat zij een eenzaam en teruggetrokken leven leidde. Vanwege gezondheidsproblemen was zij ruim reeds op 59-jarige leeftijd gaan wonen in de serviceflat de Froonacker: haar longen waren door jarenlang kettingroken aangetast en haar conditie was dientengevolge zwak. Sinds kort had zij een rollator. Maar zelfs een korte wandeling van haar huis naar de nabij gelegen supermarkt De Spar (paar 100 meter afstand) was voor haar al niet meer haalbaar. Die boodschappen deed ze met de auto, aldus haar huishoudster mw. Mia de Koe. Ze woonde min of meer zelfstandig in De Froonacker, zat weliswaar niet “in de zorg” zoals dat heet, maar had de gewoonte in het weekend te eten in het restaurant van het tehuis, het Trefpunt. Haar lust en haar leven was het maken van 3D-kaarten en dat kon ze zelfs zo goed dat het een bescheiden handeltje werd. Medebewoners kochten met enige regelmaat kaarten bij haar. Maar niet iedereen was even happig om bij haar over de vloer te komen. Want – en dat komt ook uit vele getuigenverklaringen naar voren – mw. Bouma was niet bepaald een gezellige of vrolijke gesprekspartner. Ze was zwaarmoedig en vertelde keer op keer aan mensen over de problematische verhouding met haar kinderen. Ook haar ongelukkige huwelijk, al in 1977 door echtscheiding ontbonden, kwam regelmatig aan de orde. Tot vervelens toe, vonden sommige medebewoners. Een meer medische invalshoek komt van o.a. van haar dochter mw. Amanda van Zwieten-Keizer en haar man Paul van Zwieten: volgens hen heeft de huisarts, dokter Van Boven, wel eens gezegd dat zij een persoonlijkheidsstoornis had. En hoewel dr. Van Boven in zijn getuigenverklaring deze woorden niet letterlijk gebruikt, komt mij deze hypothese wel plausibel over.Voor hulp of behandeling stond mw. Bouma helaas niet open.

Voor het rechercheteam was het in elk geval wetenswaardig om te vernemen dat het contact met haar familie buitengewoon slecht was. Dat er ruzies zijn, soms jarenlang, komt in de beste families voor. Maar dat het contact met al haar kinderen, kleinkinderen en ook nog met haar hoogbejaarde moeder en nog levende broer(s)/zus(sen) totaal verbroken is, dat is toch wel uitzonderlijk. Het beeld dat uit de getuigenverhalen naar voren komt, werd bevestigd door het beeld in de woning: anders dan bij andere oma’s hier geen foto’s aan de muur of op het dressoir van kinderen of kleinkinderen. De enige foto’s in huis waren 2 foto’s van haar vader waarmee zij een hele goede band had en een klein, ovaal portretlijstje waarop een kat te zien was, kennelijk een dierbaar maatje van haar uit vervlogen tijden… Had zij dan helemaal geen familiefoto’s….? Jawel, in de berging beneden. Op deze foto’s oogt mw. Bouma als blije beppe met haar kleinkinderen. Weggegooid waren de mapjes dus niet, maar we zullen nooit weten wat daarvan de achterliggende gedachte was.

Wat is er in deze familie aan de hand? Het is één van de eerste zaken die onderzocht worden door onder meer het horen van de familieleden als getuige.

2. Hoe is haar overlijden aan het licht gekomen?

Het is de Leeuwarder Courant (om precies te zijn: het feit dat mw. Deelstra deze in het weekend van 13-14 maart niet bezorgd kreeg) die een cruciale rol speelt bij de ontdekking van de dood van mw. Bouma. Vier dames uit de Froonacker delen de Leeuwarder Courant. Ik heb ze nog even op een rijtje gezet: eerste lezer is mw. Ter Stal-Terpstra, die hem na lezing doorgeeft aan mw. Kooistra-Van Steinvoren. Daarna is mw. Bouma aan de beurt en tenslotte mw. Deelstra-Van der Vliet.

Laatstgenoemde slaat op zondag 14 maart alarm: zij heeft de LC nog steeds niet ontvangen van mw. Bouma en is ongerust. Ze wijst het personeel erop dat de bewuste krant bij de deur van mw. Bouma staat. Hoe men daar die krant precies heeft waargenomen, daarover lopen de meningen uiteen: personeelsleden J. Visser (p. 587) en T. Meersma (p. 649) stellen dat hij tegen de muur naast de deur stond; tegen de deur is de mening van mw. Deelstra-Van der Vliet (p. 684 en 687) en mw. Kooistra-Van Steinvoren (p. 712); tegen de deurpost, zeggen getuigen Hilda. Fortuin (p. 592) en mw. Ter Stal-Terpstra (p. 703) en volgens getuige Kuis (p.744) stond de krant niet rechtop, maar lag hij op de grond. Het lijken onbelangrijke details, maar in verband met de vraag hoe de dader de woning heeft verlaten, is dit een veelbesproken onderwerp in het team. Hoe het ook zij, nadat mw. Deelstra haar ongerustheid heeft uitgesproken tegen verzorgend personeel van de Froonacker, wordt even later het levenloze lichaam van mw. Bouma aangetroffen.

3. Wanneer is mw. Bouma voor het laatst in leven gezien?

Deze vraag is cruciaal in het onderzoek en één van de kernonderdelen van de tijdslijn. Eigenlijk zijn slechts twee dingen zeker:
1. mw. Bouma heeft op 13 maart na 12.00 uur een warme maaltijd genuttigd in het restaurant van de Froonacker, genaamd Het Trefpunt.
2. op zondagmorgen 14 maart 10.30 uur wordt officieel vastgesteld dat zij is overleden. De feiten daartussenin en de bijbehorende tijdstippen zijn lastig met zekerheid te bepalen. Het gaat immers telkens om menselijke waarnemingen en/of tijdsinschattingen en die zijn helaas feilbaar. Waar mogelijk wordt getracht deze te bevestigen of te ontkrachten door technische hulpmiddelen. Ik kom daar zo op terug. Bovendien wordt de reconstructie bemoeilijkt door het gegeven dat mw. Bouma een teruggetrokken leven leidde. Vast staat dat de warme maaltijd in het Trefpunt om 12.00 uur geserveerd wordt en die bestond, zoals gebruikelijk, die 13e maart uit soep-hoofdmaaltijd-nagerecht. Waarom noem ik dit zo uitdrukkelijk? Omdat het – naast de getuigenverklaringen – ook op gezond verstand aankomt als je je buigt over de vraag hoeveel tijd mw. Bouma, die nu eenmaal niet echt een socializer was, daarvoor nodig heeft gehad… Naar mijn idee is dat maximaal een uur geweest.

Getuige V.d. Velde (p. 677), keukenassistent in de Froonacker, stelt dat mw. Bouma die zaterdag 13 maart na het eten om 13.15 uur langsliep en tegen haar zei dat zij lekker gegeten had en dat zij de volgende dag terug zou komen. “Enige minuten na haar vetrokken ook de dames Hoekstra, Nijssen en Jonker.” Twee tafelgenoten van mw. Bouma die zaterdag noemen een iets eerder tijdstip: Getuige mw. Deelstra (p. 687) denkt dat zij samen met mw. Bouma rond 13.00 uur is weggegaan uit de eetzaal. Getuige mw. Nijssen (p. 693) trekt het tijdstip nog iets naar voren: Zij schat dat zij zelf tegen 12.50 uur van tafel is opgestaan. Vervolgens is zij een praatje gaan maken met mevrouw Vlietstra. “Op het moment dat ik met mevrouw Vlietstra stond te praten kwam Pietsie ook langs lopen. Ik hoorde dat Pietsie zei dat zij lekker gegeten had en dat zij morgen weer zou komen.” Die laatste mededeling komt terug in de verklaring van getuige Vd Velde.

Samenvattend: rond de klok van 13.00 uur, dat lijkt de laatste keer dat mw. Bouma in leven is gezien. Twee getuigen noemen echter een later tijdstip:

Mw. Ter Stal-Terpstra (p. 702 e.v.) weet heel zeker dat zij op zaterdag 13 maart tussen 14.00 –15.00 uur mw. Bouma (Pietje) buiten zag lopen. Mw. Kolthoff-Robach (p. 715) vertelt eveneens dat zij mw. Bouma die zaterdag 13 maart nog heeft gezien. Dat was om 14.45 uur.

Gedurende enige tijd zijn deze verklaringen meegenomen in de tijdslijn van het slachtoffer. Later zal ik op deze verklaringen terugkomen.

4. De schoondochter die aan de deur is geweest

Talrijk zijn de verklaringen waaruit naar voren komt dat er een schoondochter aan de deur is geweest. Soms via-via: zo heeft verzorgende Jikke Visser (p. 578 en 586) dit verhaal gehoord van mw. Deelstra. Ook haar collega Klasina Bakker (p. 636) heeft dit kennelijk niet rechtstreeks van mw. Bouma gehoord. Ze weet wel dat mw. Bouma dit zelf aan mensen in de zaal verteld heeft: een schoondochter wilde contact, maar mw. Bouma wilde dit niet.

Dat zou gezegd kunnen zijn in gezelschap van mw. Kooistra (p. 713), die het verhaal rechtstreeks van mw. Bouma hoorde aan de koffietafel in het Trefpunt: “Pietsie vertelde mij dat haar schoondochter aan de bel bij de centrale toegangsdeur van de Froonacker had aangebeld. Zij had gezegd dat Pietsie haar zoon ziek was en dat zij graag met Pietsje wilde praten. Pietsie vertelde mij dat zij haar schoondochter niet binnen had gelaten.”

Getuige Mia de Koe, die huishoudelijk werk bij mw. Bouma deed, heeft de informatie ook direct van mw. Bouma (p. 655):”Ze had het altijd over haar zoon en schoondochter. Haar schoondochter was tot alles in staat volgens haar. Dit betrof vermoedelijk de zoon in Tzummarum. (Dit is dus eigen interpretatie, CdG) Zij gaf ook aan dat die schoondochter tot alles in staat was. De schoondochter kwam uit een weeshuis. Het was een raar meisje dat van alles uithaalde en die een grote mond had. Zij was echt bang voor deze schoondochter. Haar zoon durfde daar nooit wat van te zeggen. (…) Zij vertelde afgelopen maandag 8 maart 2010 dat vorige week zaterdag 6 maart haar schoondochter uit Tzummarum in de avonduren voor de deur had gestaan. Haar schoondochter had aangebeld bij de buitendeur van Froonacker en gezegd dat haar zoon ziek was en dat de zoon contact wilde. Mevrouw Bouma had toen gezegd dat zij dat niet wilde. De schoondochter was toen weer weggegaan.”

Ook mw. Deelstra heeft de informatie over dit ongewenste bezoek uit de mond van mw. Bouma zelf opgetekend (p. 684). De exacte dag weet zij niet meer, maar in één aspect is zij het meest specifiek van alle getuigen: “Vrouw Bouma vertelde mij dat zij had aangegeven al 15 jaar niet meer met haar familie te hebben gesproken en dat zij dat nu ook niet wilde.”

Wie is toch deze schoondochter geweest? Er zijn er drie: mw. Tetje Keizer-Postma, mw Grietje Keizer-Heeringa en mw. Helma Keizer-Heeres en alledrie ontkennen ze dat zij dit waren. Een intrigerend gegeven voor het onderzoeksteam. Er zijn op zijn minst twee aanwijzingen dat het verdachte Heeres is geweest. Ten eerste is het haar man die ziek is: Ruurd Keizer is geruime tijd thuis van het werk omdat hij een soort burn-out heeft. Maar ook het tijdsbestek van 15 jaar is veelzeggend. 15 jaar, dat is de periode dat mw. Bouma geen contact meer heeft met Ruurd Keizer en zijn gezin. De verklaringen waaruit die 15 jaar naar voren komt zijn te talrijk om op te noemen. Daar staat tegenover dat het contact met de overige kinderen ‘slechts’ sinds een jaar of 4 of 5 verbroken is. Echter, zelfs als je uitgaat van het scenario dat mw. Heeres wel degelijk bij haar schoonmoeder aan de deur is geweest, zegt dat (zeker in dit stadium van het onderzoek) nog niets over haar bedoelingen. En het feit dat zij ontkent dat zij die bewuste schoondochter is geweest, geeft weliswaar te denken, maar maakt haar nog geen verdachte van de moord.

En dan is er nog het verhaal dat er een kleindochter op bezoek zou zijn geweest bij mw. Bouma en dat zij daarmee een heftige ruzie had gehad. De beide kleindochters (te weten Anna Keizer en Daniëlle Keizer) herkennen zichzelf hierin niet. Het verhaal.is minder gedetailleerd dan het bezoek van de schoondochter. Al met al blijft dit wat vaag.

5. Een vrouw met opvallend gedrag in de Froonacker.

Opmerkelijk zijn de verklaringen omtrent een vrouw die zich op verschillende dagen opvallend gedroeg in de Froonacker.

Getuige Karin Meersma, verzorgende in de Froonacker, verklaart over haar plotselinge ontmoeting met een haar onbekende vrouw (p. 638 e.v.). Het moet op maandag 1 maart 2010 zijn geweest, ongeveer 20.15 uur. Achter het muurtje bij de klapdeuren, pal voor de toegangsdeur van mw. Bouma, kwam ineens een vrouw vandaan. Getuige schrok ervan en de vrouw zei dat ze ook geschrokken was. Toen zei de vrouw dat ze zich verstopt had voor haar zoontje. “Die loopt steeds weg en als hij zo langs komt dan kan ik hem zo pakken.” Gevoelsmatig vond getuige dit een vreemd type. Zij liep daar zoekend en getuige heeft geen kind gezien. Het signalement was: ong. 40 jaar, 1.72 lang, donker-blond, bruinig vettig haar, net over de schouder, beetje krom, gebogen bij het lopen.

Getuigen Andries Engbrenghof (p. 728 e.v.) en Foekje Smits (p. 733) brengen maaltijden rond in de Froonacker. Beiden zien op vrijdag 12 maart 2010 om ong. 11.30 uur een vrouw, waarvan zij vinden dat deze zich opvallend gedraagt. Zij melden zich daarom als getuige bij de politie. De bewuste vrouw liep hen in de gangen van de Froonacker zoekend voorbij, links-rechts kijkend; ze reageerde niet op een begroeting van Engbrenghof. Als signalement van deze vrouw wordt genoemd: ong. 35-40 jaar, 1.65- 1.70 m. lang, ongeveer 65 kilo, donkerblond/bruin steil haar tot op de schouders, geen bril.

Wie is deze onbekende vrouw geweest? Is het dezelfde vrouw geweest? En heeft het iets te maken met het vorige punt: een schoondochter die op bezoek geweest is? Lastige vragen voor het team… Ik merk hier wel op dat alledrie de verklaringen zijn afgelegd voordat verdachte Heeres was angehouden. Het is dus niet zo dat de berichtgeving in de media ná de aanhouding deze mensen hebben ‘getriggerd’ om hun verhaal te doen.

Op de PF-zitting van 7 jan. j.l. heeft uw rechtbank de wens van de verdediging gehonoreerd om de verklaring van getuige Karin Meersma nader te onderzoeken door middel van een meervoudige foto-confrontatie. In overleg met dhr. Stelwagen, confrontatiespecialist van de politie Fryslan, de verdediging, de rechter-commissaris en mijzelf is er overeenstemming bereikt om, met het oog op een betere waarheidsvinding, in plaats hiervan een Oslo-confrontatie te houden. Bij memo van 27 januari j.l. heb ik u, meneer de voorzitter, hiervan in kennis gesteld. Deze Oslo-confrontatie heeft op 19 febr. j.l. plaatsgevonden. Na ruim een dag voorbereiding (kleding, techniek, modellen, e.d) stond verdachte uiteindelijk opgesteld temidden van 6 andere dames met identieke kleding en haardracht. Getuige Meersma bevond zich aan de andere kant van de spiegel en mocht de groep 21 seconden aanschouwen. Op de later gestelde vraag of de vrouw die zij op 1 maart in de gang in de Froonacker heeft waargenomen in het rijtje aanwezig was, heeft de getuige geantwoord: “Geen flauw idee”. Zij was zichtbaar ontgoocheld dat ze zo kort mocht kijken. Haar is uitgelegd dat dit nu eenmaal de procedure is en dat langer ‘turen’ naar personen in de groep soms foute herkenningen met zich meebrengt. Verdachte is dus niet herkend door de getuige, maar de getuige heeft evenmin verklaard dat de bewuste vrouw niet in de line-up aanwezig was. Kortom: een arbeidsintensief (en kostbaar) traject, waaruit in feite weinig harde conclusies zijn te trekken.

6. Wat is het beeld van de woning zoals die op die 14e maart wordt aangetroffen?

Een tweeledig beeld:
- In de badkamer is het één groot bloedbad, vooral op de grond en tot ongeveer een halve meter hoog op de tegels. Huisarts De With (p. 620) ziet bewegingspatronen in het (gestolde) bloed: streken, haren en hij vermoedt dat mw. Bouma in doodstrijd moet zijn geweest. Ook zijn chauffeur, mw. Etje Bakker (624) meent een hand te herkennen in het bloed. Een trieste constatering die aansluit bij de verklaring van verzorgende Klasina Bakker ( p. 635). “Ik zag zoveel vegen met bloed op de muur dat ik mij heb afgevraagd of zij op zoek is geweest naar dat alarmkoord.” Dat alarmkoord hing er wel, zo heb ik ook met eigen ogen gezien. Uit de getuigenverklaringen van personeel (o.a. Jikke Visser, p. 586) kwam naar voren dat de alarmering supergevoelig was. Om loze alarmmeldingen te voorkomen bleken sommige bewoners het koord wat hoger opgeknoopt te hebben. Dat was hier ook het geval.
- De woonkamer, keuken en slaapkamer daarentegen ogen ordentelijk. De enige dissonant is een wit koffiekopje dat op de grond ligt. Als je langer kijkt, vallen wel de zeer vele bloeddruppeltjes op: kleine roodbruine stipjes, in de woonkamer, in de slaapkamer, op de tafel…. Meer hierover bij het technisch/forensisch onderzoek. Maar verder geen sporen van geweld, van een worsteling bijvoorbeeld. De gordijnen zijn open, het bed is keurig opgemaakt. De deur naar het balkon is dicht, maar niet afgesloten… Getuigenverhoren met verzorgend personeel maken duidelijk dat één van hen een laatje heeft laten openstaan en een ander een linnenkast.

7. Is er iets ontvreemd uit de woning?

Er was een dagenlang durende doorzoeking nodig om te kunnen vaststellen of er iets uit de woning was ontvreemd. Dat was lastig in deze zaak omdat mw. Bouma zo op zichzelf was. Hoe moet je weten wat er weg is uit een woning als je niet weet wat er hoort te zijn? Door middel van het horen van getuigen (o.a. de hulp in de huishouding mw. Mia de Koe) probeert de recherche zich hiervan een beeld te vormen. Er wordt een geldkistje aangetroffen met € 5000,-, een portemonnee met € 250,- en er missen geen sieraden.Uiteindelijk is het slechts de pinpas van het slachtoffer die niet wordt aangetroffen. Om tactische redenen wordt deze informatie NIET naar buiten gebracht. Niet in het persbericht en in eerste instantie ook niet in het proces-verbaal. Dat de pinpas is weggenomen is vanaf dat moment iets wat alleen de dader weet…

Tot zover enkele zaken uit het tactisch onderzoek. En dan nu de forensische opsporing. Later zal blijken hoe belangrijk, beter gezegd: doorslaggevend dit onderzoek is. Op dit moment volsta ik met het noemen van enkele bevindingen in de beginfase van het onderzoek.

Start van het forensisch onderzoek

1. Sectie

Essentieel in het onderzoek zijn de resultaten van de sectie die op 15 maart 2010 werd verricht op het lichaam van het slachtoffer. Kort daarna volgt een voorlopig sectierapport en op 30 maart volgt de definitieve versie. Beide rapporten bevinden zich in ordner 5: – 1430-ADM-008 / – 1430-ADM-008-02-02

Kort samengevat luidt de doodsoorzaak als volgt (p. 4 van het definitieve sectierapport): “Pietje Bouma, 69 jaar oud geworden, is overleden door massaal bloedverlies als gevolg van scherprandig perforerend geweld tot in de rechterborstkas en meermalen heftig botsend geweld op het hoofd.”

In de rug zijn 2 steekletsels vastgesteld, met een diepte van 11 cm. en veroorzaakt door een scherp snijdend voorwerp zoals een tweezijdig snijdend mes. Op het hele hoofd waren ongeveer 19 ruwrandige letsels te zien; in de schedel ongeveer 8 ingeslagen deuken, butsen. Ook zijn er steek- en snijwonden te zien in het gezicht en op de handen. Tenslotte bleken er twee ribben gebroken en ook was er letsel aan schouder en benen. De foto’s van de sectie (140310-AH-006-10) illustreren op macabere wijze hoe heftig het geweld tegen het slachtoffer moet zijn geweest.

2. Sporenbeeld in woning

In en rond de woning van mw. Bouma worden vele sporen veiliggesteld. Voornamelijk bloedsporen. Het onderzoeksteam is er zich van bewust dat de woning na het misdrijf door diverse mensen is betreden. Uit recherchetechnisch oogpunt onwenselijk, maar menselijkerwijs begrijpelijk. Niemand neemt het personeel van de Froonacker kwalijk dat er eerst om een dokter is gevraagd voor mw. Bouma. Uit het dossier blijkt wel hoe alert de recherche is geweest op mogelijke verstoringen van de Plaats Delict (PD). Een ieder die binnen geweest is, krijgt te maken met een onderzoekje aan zijn/haar schoenen. In de verhoren wordt uitvoerig aandacht besteed aan vragen als: “wat heb je aangeraakt? Wat heb je verplaatst?” Getuige Jikke Visser (p. 582) is heel duidelijk in haar verklaring over het pakken van een laken: ze heeft in de linnenkast alleen het bovenste laken beetgepakt en vervolgens het daaronder liggende laken gepakt om het slachtoffer toe te dekken. De vele bloedsporen in de woning, die ik al genoemd heb bij de bijzonderheden in het tactisch onderzoek (sub 6), worden door de technische recherche bemonsterd. Maar ook wordt een zgn. luminol-onderzoek gedaan: met een chemisch middel worden zo bloedsporen zichtbaar gemaakt die met het blote oog niet of nauwelijks te zien zijn. Hieruit blijkt dat de linnenkast wel degelijk is doorzocht, kennelijk met beleid want de stapeltjes kleding en linnengoed liggen er netjes bij. Later in mijn betoog zal ik hierop terugkomen. Verder worden er in het geronnen bloed afdrukken van een schoenzool gezien. En ook buiten in het zand grenzend aan het balkon worden schoenafdrukken waargenomen, maar die zijn niet identiek aan de schoenzoolafdrukken in de badkamer. Vingerafdrukken worden daarentegen niet aangetroffen. In een vuilniscontainer van de nabijgelegen wijk ‘het Ankerplak’ wordt een laken met een bloedspoor veiliggesteld.

In verband met de beperkte beschikbare capaciteit van het NFI te Den Haag, waar immers uit het hele land onderzoeksvragen binnenkomen – is sinds enige tijd bepaald dat er in een dergelijk onderzoek een 10-tal sporen voor spoedonderzoek mogen worden ingezonden. Welke sporen hiervoor worden uitgekozen wordt bepaald in een breed overleg, waar onder meer aanwezig zijn mensen van het NFI, leden van de FO en de forensisch officier. Tien bloedsporen worden hiertoe geselecteerd: negen uit de woning en het gevonden laken.

En dan…?

In de loop van maart is er veel werk verzet door het onderzoeksteam, maar eerlijk is eerlijk: we hebben nog geen flauw idee waar we de dader moeten zoeken. Alle mogelijkheden liggen in feite nog open: een overlopen insluiper, een gewelddadige gek, een incident in de relationele sfeer, wie zal het zeggen. Getuigenverhoren, buurtonderzoek, de vele telefoontaps op vooral familieleden, onderzoek naar twee personen buiten op een bankje bij de Froonacker, onderzoek naar de man die enkele weken daarvoor in het aangrenzend hotel was aangehouden met een mes op zak, het levert allemaal geen eenduidige richting in het onderzoek op. De zwaar getroebleerde familieverhoudingen blijven intrigeren maar er zijn onvoldoende aanwijzingen om één van hen daadwerkelijk als verdachte te beschouwen. Maar tegelijk ligt er ook belastende informatie, bijvoorbeeld over kleinzonen die drugs zouden gebruiken en agressief zouden zijn, er is het niet bevestigde verhaal van de schoondochter die aan de deur geweest is, kortom: de familie blijft in de belangstelling van het team staan…

Een praktische benadering dient zich aan: we gaan de familieleden voorstellen of zij op vrijwillige basis lichaamsmateriaal willen afstaan. Niet omdat zij verdachte zijn, maar uitsluitend om hen als verdachte te kunnen uitsluiten, zodat het onderzoeksteam de focus kan verleggen. Op een familiebijeenkomst op 29 maart 2010 wordt dit voorstel door de leiding van het rechercheteam toegelicht en vervolgens door de familieleden instemmend ontvangen. Zo instemmend dat men liefst meteen het zgn. wattenstaafje door de wang wil laten halen. Maar om redenen van zorgvuldigheid krijgt iedereen eerst een brief mee (p. 399-400) waarin de vrijwilligheid nogmaals wordt benadrukt en de mogelijkheid wordt genoemd om één en ander te bespreken met een advocaat. Zo wil het team iedere schijn van pressie voorkomen. Op 30 en 31 maart vindt de afname van wangslijm met inachtneming van de procedurevoorschriften plaats, waarna ook deze sporen met spoed naar het NFI worden verzonden. Het is dan vlak voor Pasen en er lijkt even een adempauze te komen voor de hardwerkende mensen van het onderzoeksteam. Die adempauze blijkt van korte duur…

De match

Het is vrijdag 2 april 2010 rond de klok van 17.00 uur. Het is Goede Vrijdag en ik ben in de veronderstelling dat de medewerkers van het NFI een vrije dag hebben. Totaal onverwacht krijg ik een telefoontje van mw. Raggers van het NFI. Die deelt mij mede dat er een match was tussen materiaal dat bij de vrijwillige afname is veiliggesteld (nl. met het nummer RAAK9816NL) en de bloedsporen in de woning van mw. Bouma. Om precies te zijn: met 8 van de 10 bloedsporen. Extra goed wordt uiteraard gecheckt bij welke persoon dit nummer hoort: het is schoondochter Helma Keizer-Heeres.

Dit brengt het onderzoek in een stroomversnelling: ik geef een last tot aanhouding van mw. Heeres als verdachte van moord/doodslag op haar schoonmoeder. Die aanhouding vindt diezelfde avond plaats en aansluitend een doorzoeking in haar woning.

Vandaag

Ik maak een sprong in de tijd: in de tussentijd is verdachte 11 keer uitvoerig gehoord door de recherche, er zijn 3 zgn. Pro Forma zittingen geweest (15 juli, 12 oktober 2010, 7 jan. j.l.). Er is een proces-verbaal bestaande uit 5 ordners opgemaakt en tenslotte is er de afgelopen maanden op verzoek van rechtbank en verdediging aanvullend onderzoek verricht. Vandaag is de inhoudelijke behandeling en zal ik, zoals aangekondigd, een standpunt innemen omtrent het bewijs.

Strafrechtelijk bewijs, wat houdt dat eigenlijk in? In zijn proefschrift “Strafrechtelijk bewijs in recht en praktijk (1980) definieert Reijntjes dit als: ‘onder naleving van de daartoe gestelde regels aantonen, dat aan iets in redelijkheid niet valt te twijfelen.’ (blz. 43). Dit doet denken aan de Amerikaanse formulering uit crimi’s: ‘beyond a reasonable doubt’. Corstens zegt hier nog over dat absolute zekerheid er niet hoeft te zijn. ‘Wiskundig bewijs waar geen speld tussen is te krijgen, wordt niet vereist.’ Met andere woorden: de puzzel hoeft niet compleet te zijn. In deze zaak vallen de puzzelstukjes in zo’n grote mate op hun plaats, dat ik van mening ben dat bewezen kan worden dat verdachte Heeres mw. Bouma om het leven heeft gebracht.

De bewijsmiddelen daarvoor zijn de na volgende:

1. De bloedsporen van verdachte in de woning van het slachtoffer.

In de hele woning zijn talloze kleine, gestolde bloedspatten aangetroffen. Van diverse groepjes bloedspatten is er ééntje bemonsterd en voor onderzoek naar het NFI opgestuurd.[plaatje bloedspatten] Met verwijzing naar het NFI-rapport van 6 april 2010 staat vast dat van de 10 ‘spoedsporen’ er 8 matchen met het DNA-materiaal van verdachte. De frequentie hierbij is één op één miljard. Verdachte stelt dat zij al 15 jaar geen contact heeft met het slachtoffer en ontkent dat zij ooit in die woning is geweest. Meermalen is aan haar gevraagd: hoe verklaart u dat uw bloed daar aangetroffen is? Heel indringend is dat bijvoorbeeld gebeurd in het laatste verhoor van 11 juni 2010. Verdachte komt dan niet verder dan de opmerking “ik word genaaid, in word erin geluisd”… Toch doet verdachte pogingen om de recherche ervan te overtuigen dat iemand anders haar bloed daar heeft gebracht. In het 6e verhoor op 8 april wijst verdachte naar de gebroeders Hoessein en Sahal, wonend aan de Schoener in Franeker. Die zouden een stukje maandverband uit haar container hebben gehaald. In het verhoor van 11 juni noemt zij expliciet de naam van haar schoonzuster Tetje Keizer. De suggestie is dat binnen de familie iemand met de tampon van verdachte haar bloed op de plaats delict heeft gebracht.

Ik heb op een pro forma zitting ook al laten weten: wat moeten we nu met zo’n bizar verhaal? In een zaak van 19 jan. 2010 (LJN BK9749) [ toelichten voor publiek!] moest de rechtbank Zutphen zich over een dergelijk verweer uitlaten. Een man was voor verschillende inbraken door de mand gevallen door telkens de aanwezigheid van zijn bloed op de plaats delict. De verdachte bracht hiervoor een verklaring naar voren, namelijk dat iemand anders zijn bloed had opgevangen toen hij zichzelf had gesneden, de inbraken vervolgens had gepleegd en hierbij het bloed van verdachte had achtergelaten op de plaatsen delict. De rechtbank maakte met dit verweer korte metten: zonder er diepgaand op in te gaan staat in het vonnis vermeld: “De verklaring van verdachte dat mogelijk iemand anders zijn DNA heeft achtergelaten op het plaats delict acht de rechtbank niet aannemelijk.”

Deze uitspraak sluit aan bij andere jurisprudentie met als strekking: als een alternatief scenario dermate hypothetisch en abnormaal is, dan mag dit een bewezenverklaring niet in de weg staan. Nog 1 voorbeeld: Hof Den Bosch, 13 april 2007, LJN BA2875: “Op grond van al het bovenstaande acht het hof de lezing van verdachte dat het slachtoffer zou zijn gedood door twee andere personen en hijzelf slechts een rol zou hebben gespeeld in de voorfase en nadat het slachtoffer om het leven was gebracht, zo onwaarschijnlijk dat dit terzijde wordt gelaten.”

En ook in een vrij recent arrest (16 maart 2010, LJN BK3359) gaat de Hoge Raad in op de vraag hoe een rechter moet omgaan met een alternatieve lezing: “Als uitgangspunt heeft te gelden dat ingeval een verdachte het hem tenlaste gelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter – indien hij tot een bewezenverklaring komt – die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van verdachte uitsluiten maar een dergelijke weerlegging is niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.

De verklaring van verdachte Heeres behelzend dat anderen haar bloed in de woning van het slachtoffer hebben gebracht, is naar mijn mening zo onaannemelijk, zo onwaarschijnlijk dat uw rechtbank die ook zonder uitdrukkelijke weerlegging terzijde mag schuiven.

2. De wond aan de vinger van verdachte Heeres.

Vast staat dat verdachte Heeres zichzelf aan een vinger heeft verwond die 13e maart 2010. Om precies te zijn: zij heeft verklaard dat zij zonder verwonding die dag van huis is gegaan rond 12.30 uur (p. 115). Om 13.29 uur komt zij met de auto bij de Spar aan om daar in verband met die verwonding pleisters te kopen. Omtrent die verwonding heeft verdachte geen consistente verklaringen afgelegd.

In haar eerste verhoren brengt verdachte overtuigend een verklaring naar voren hoe, waar en wanneer zij deze verwonding heeft opgelopen. Samengevat: “Op 13 maart 2010, ong. 12.30 uur, ging ik boodschappen doen bij de Spar, want daar hebben ze het lekkerste gehakt. Ik stapte uit mijn auto, zakte door mijn been en kreeg mijn vinger tussen de deur. Ik ben toen weer in de auto gaan zitten, heb er een zakdoek omheen gedaan en daaroverheen een plastic zakje. Ik heb het console omhoog gedaan en ben tussendoor naar achteren gekropen om een snelverbandje uit de verbanddoos te pakken. Ik ben nog een paar minuten in mijn auto blijven zitten, heb een shagje gerookt, en ben daarna opnieuw uitgestapt. Het zakje met het zakdoekje en het bloed heb ik in een leeg sigarettendoosje gedaan en buiten bij de Spar in een afvalbak gegooid. Per ongeluk heb ik zo € 20,- weggegooid. Bij de Spar heb ik toen boodschappen gedaan, o.a. pleisters.”

Staat als een huis, zo’n verhaal, denk je. Maar blijkt totaal onjuist te zijn, zo blijkt uit beelden van de beveiligingscamera van de Spar. Daarop is te zien dat verdachte vlak na het parkeren de winkel ingaat, dat geen sprake is van een vinger tussen de autodeur, dat zij daar niets in een afvalbak gooit , maar…dat zij al wel een wond aan haar vinger heeft. Bij de kassa maakt zij daarmee een schuddend gebaar. In het zeer uitvoerige 4e verhoor van 6 april 2010 wordt verdachte geconfronteerd met de beelden. Onmiddellijk geeft zij toe dat haar verhaal niet klopt, maar een verklaring hiervoor blijft uit. Verdachte gaat huilen en zegt dan (p. 162): “Dan weet ik het niet, misschien heb ik het wel gedaan. Ik weet niet eens hoe ik er binnen ben gekomen.”

Welke andere verklaringen heeft verdachte over de wond aan haar vinger?
- Veelzeggend (want: kort na het ontstaan van de wond) zijn de woorden die zij tegen de caissière van de Spar heeft uitgesproken, namelijk : “Ik heb me gesneden.”. Aldus getuige Eline van der Veen (p. 1003).
- Tegen haar vriendin Ela Hegemann (p. 915) heeft verdachte verteld dat zij haar vinger tussen de autodeur heeft gehad terwijl deze op de oprit bij haar huis stond.
- Bij de recherche komt verdachte in het 7e verhoor van 14 april met weer een ander voorval waarbij het gebeurd zou zijn (p. 208): “Het kan ook voor de rotonde zijn gebeurd, ik moest stoppen. De gordel kwam tussen de deur en ik trok hem eruit.”
- Tenslotte de verklaring uit een tapgesprek van 7 mei 2010. Tegen haar man Ruurd zegt ze (p. 1277): “Ik ben na van huis af wat raar geworden. Ik ben toen tegenover het politiebureau bij dat water gaan zitten. Daar heb ik mijn vinger tussen de deur gekregen, toen ben ik bij dat water gaan zitten.”

Dat zijn in totaal maar liefst 5 verschillende verklaringen en dit komt – zacht uitgedrukt – verdachtes geloofwaardigheid niet ten goede. Maar er is meer.

Verdachte stelt voortdurend dat het geen snijwond was, maar een knijpwond of afknijpwond. Dit zou haar huisarts, dokter Van Boven, ook bevestigd hebben. Echter, de recherche vraagt de huisarts of hij de laatste tijd nog verwondingen bij Helma heeft geconstateerd. Hij antwoordt hierop: “Nee.”(p. 759). Verder is de wond, of wat daarvan over was, door mw. A.W. Westerveld, forensisch arts KNMG, onderzocht en zij heeft hierover een verslag letselonderzoek gemaakt (ordner 5, 140310- ADM-008-07). Haar conclusies zijn niet spijkerhard, maar op de vraag of het letsel kan zijn ontstaan doordat de vinger beklemd is geweest tussen een deur, zegt zij: “Dit is niet geheel uit te sluiten gezien de enigszins afwijkende vorm van de vingertop. Wat dan wel opvalt is het totaal ontbreken van sporen van beschadiging aan de nagelzijde van de wijsvinger, waardoor de vraag rijst of zo’n eventuele beknelling niet van veel eerdere datum is geweest dan datgene wat het huiddefect veroorzaakte. Bij beknelling van een vinger is huidletsel eerder aan de bovenzijde van de vinger te verwachten dan aan de onderzijde waar het aldaar aanwezige onderhuidse weefsel als een soort kussen kan fungeren.” Vrij vertaald: er zijn wat vraagtekens te plaatsen bij het verhaal over beklemming. Over wel een mogelijke ontstaanswijze zegt de deskundige: “Een wond zoals in dit centraal gelegen gebied heeft bestaan zou kunnen ontstaan bij het openhalen van de vinger aan een voorwerp. Het zou dan moeten gaan om een voorwerp dat deels scherp genoeg was om door de huid heen te gaan maar niet zo scherp dat het huiddefect scherpe, gladde randen kreeg zoals bij een mes.” Kortom: dat het om een mes zou gaan, staat evenmin vast. Maar wel een scherp en/of puntig voorwerp.

3. De afdrukken van de linkerlaars van verdachte in de badkamer en de DNA-sporen van slachtoffer Bouma in de stiknaad van de rechterlaars van verdachte.

De technische recherche constateert in de badkamer van het slachtoffer een aantal schoenzoolafdrukken dan wel delen daarvan. Met het middel Leuco Cristal Violet (LCV) worden de patronen hiervan in het bloed nog beter zichtbaar gemaakt. P. 37 en 38 van het PD-onderzoek toont de indrukwekkende foto’s. Onder verdachte Heeres is veel schoeisel in beslag genomen voor onderzoek. De western-achtige laarzen die verdachte ten tijde van haar aanhouding droeg, bleken optisch veel overeenkomsten te vertonen met de afdrukken. Laarzen en sporen worden voor onderzoek aangeboden aan de heer B.C. Klompsma, inspecteur van regiopolitie Drenthe, deskundige schoenen en banden. Hij heeft een proces-verbaal opgemaakt van vergelijkend schoensporenonderzoek: 140310-AH-006-023. Op p. 3 van zijn PV luidt zijn conclusie:
- het veiliggestelde schoenafdrukspoor 1 is waarschijnlijk veroorzaakt met de zool van de linkerschoen;
- voor de schoenafdruksporen 2 en 3 kan niet vastgesteld worden of het spoor daadwerkelijk door die schoen is veroorzaakt maar zij zijn wel veroorzaakt door een schoen met eenzelfde profiel en maat als de linkerschoen.

Ook het NFI heeft de laarzen onderzocht. Verborgen in een stiknaad van de rechterlaars zijn uit twee bemonsteringen (# 1 en # 3) (onvolledige) DNA-profielen verkregen. Deze matchen met het DNA-profiel van slachtoffer Bouma. De kans dat spoor #1 niet van mw. Bouma is, is een kans van 1 op 1 miljard, de kans dat spoor # 3 niet van mw. Bouma is, is een kans van 1 op 866 miljoen. Met betrekking tot dit laatste spoor is aanvullend onderzoek gedaan, met als uitkomst dat thans een frequentie van 1 op 1 miljard is verkregen. (Aanv. PV NFI 25 febr. j.l.)

Blijkens de eigen verklaring van verdachte en de opnamen van de beveiligingscamera van de Spar waren het juist deze laarzen die verdachte droeg toen zij de wond aan haar vinger had. Verdachte zegt over deze laarzen dat ze deze in 2009 of 2010 in Oss heeft gekocht. Volgens verdachte is dit een veelvoorkomend model. Op p. 114 zegt ze: “Half Nederland heeft deze laarzen.” En op p. 169: “Al die wedstrijdrijders hebben ze.” In een tapgesprek met haar man Ruurd op 12 juni 2010 (p. 1287) zegt ze: “Half Nederland loopt op die schoenen.” Maar ook dit is niet waar: het PV van Klompsma bevat een bijlage waaruit blijkt dat er wereldwijd op jaarbasis slechts iets meer dan 100 paar worden verkocht! Het zijn dus niet zomaar laarzen, maar zeer exclusief! De verklaring van verdachte dat zij haar laarzen ’s middags buiten had laten staan (en hiermee suggererend dat iemand anders de laarzen moet hebben gedragen dan wel moet hebben gebruikt om te ‘stempelen’) verdient – net als haar verhaal over het ter plaatse brengen van haar bloed – geen nader onderzoek bij gebrek aan geloofwaardigheid.

4. Het feit dat verdachte op 13 maart 2010 in de directe nabijheid van de PD is geweest, zoals waargenomen op beveiligingscamera’s.

Dit bewijsmiddel verdient om tweeërlei reden een nadere toelichting.

Eerst een juridisch punt:
In het op 14 maart 2010 aangevangen onderzoek naar de moord op mw. Bouma, zijn zoveel mogelijk camerabeelden opgevraagd en veiliggesteld. Hierbij is aanvankelijk gebruik gemaakt van artikel 126nd Wetboek van strafvordering. Ruim een week later was er ineens een arrest van de Hoge Raad dat voor nogal wat opschudding zorgde in de strafrechtspleging en de opsporingspraktijk (HR 23 maart 2010 LJN BK6331) Kort samengevat is de strekking van dit arrest dat beelden met een machtiging van de rechter-commissaris opgevraagd moeten worden (artikel 126nf) wanneer er – kort gezegd – gevoelige gegevens (bijv. omtrent het ras van een persoon) aan kunnen worden ontleend. Na dit arrest is in dit onderzoek spoorslags overgegaan tot de vorderingen 126nf Sv (en dus met machtiging RC verkregen). De vraag die dan resteert is: zijn de eerder opgevraagde beelden dan wel rechtmatig verkregen? Inmiddels is de jurisprudentie op dit punt aardig uitgekristalliseerd en dient deze vraag met een volmondig “ja” beantwoord te worden. De beelden waar het in dit onderzoek om gaat betreffen namelijk allemaal beelden van beveiligingscamera’s. En dat is een essentieel verschil met de zaak van het genoemde arrest. Bij beveiligingscamera’s gaat om het beelden die (anders dan in het geval van de Hoge Raad) niet aan een bedrijf (in casu: De Spar) zijn toevertrouwd, maar om een opname van een beveiligingscamera, waarvan de aanwezigheid op allerlei plekken in de publieke ruimte bekend mag worden verondersteld. Dat staat overigens los van het gegeven dat niet iedereen zich daar ook uitdrukkelijk van bewust is. Als ik bij de Spar een boodschap doe, sta ik er ook niet bij stil dat ik door de beveiligingscamera vastgelegd word. Ik verwijs tenslotte kortheidshalve naar: Hof Arnhem (21/004455-09) en LJN BM8433 en BM6941 .

Conclusie: de beelden zijn op rechtmatige wijze verkregen en mogen dus gebruikt worden ten behoeve van het bewijs.

De opgevraagde beelden zijn:
- de meergenoemde beelden van de Spar;
- de beelden van hotel Tulip Inn “De Valk” (dat aangrenzend is gelegen aan de Froonacker);
- de beelden van de Plus-supermarkt in Harlingen.

Je zou echter kunnen redeneren: dat verdachte Heeres te zien is op deze beelden is niet relevant zolang niet vast staat wat het vermoedelijke tijdstip van overlijden is. Maar IS dat vast te stellen? En zo ja, wanneer is dat tijdstip dan? Dit onderwerp is door de verdediging meermalen aan de orde gesteld. Het is zowel voor de verdediging als ook voor het rechercheteam buitengewoon jammer dat technisch niet kan worden vastgesteld wanneer de dood is ingetreden. Er blijft altijd een marge bestaan, zo komt ook naar voren uit het rapport van forensisch arts, dhr. D. Botter, dat op verzoek van de verdediging onlangs is opgemaakt. Aan de hand van het zgn. nomogram van Henssche wordt het tijdstip van overlijden zelfs bepaald op 12 maart ong. 21.00 uur “met een spreiding meer dan 7 uren daarvóór of daarná overeenkomend het 95% betrouwbaarheidsinterval. Hoeveel uren de spreiding zou kunnen bedragen is hierbij niet aan te geven.”

Vandaar dat de beelden van de Spar zijn opgevraagd. Uren hebben rechercheurs gekeken naar de vele klanten van de Spar: is mw. Bouma hierop te zien? Opvallend veel oudere mensen (hetgeen niet vreemd is met de Froonacker èn verzorgingstehuis Saxenoord op steenworpafstand), diverse personen met een rollator en toevalligerwijs veel witte mutsen… Getuige Mia de Koe, die mw. Bouma immers goed gekend heeft, wordt te hulp geroepen voor een eventuele herkenning. Maar mw. Bouma wordt op de beelden niet waargenomen. Uit de getuigenverklaringen, zoals ik eerder heb genoemd, blijkt mw. Bouma rond 13.00 uur die 13e maart de eetzaal heeft verlaten en naar haar woning is teruggegaan.

Leden van de rechtbank, alle dossierstukken in onderlinge samenhang overziend, moet dit leiden tot de conclusie dat het slachtoffer kort na 13.00 uur van het leven is beroofd. Bij gebrek aan een bekennende verklaring van de verdachte, zal ik zelf met een schets komen van de – in mijn visie – meest waarschijnlijke gang van zaken. Het uitgangspunt daarbij is de veronderstelling dat verdachte de verwonding aan haar vinger heeft opgelopen tijdens/bij het plegen van het delict aangezien er talloze bloedsporen van haar in de woning van het slachtoffer zijn aangetroffen. Op 13.29 uur had verdachte – blijkens de beelden van de Spar en haar eigen verklaring – de verwonding al. Het feit moet dus daarvóór zijn gepleegd. Maar niet tussen 13.16 en 13.18 uur, want tussen die tijdstippen reed verdachte in haar Honda SUV op het terrein van het hotel De Valk rond. Verdachte heeft zelf verklaard dat zij, alvorens naar de Spar te gaan, een paniekaanval kreeg en een paar minuten in het gras heeft gezeten bij de recreatieplas aan de Severander, vlak bij het politiebureau. Hiermee zou de tijd opgevuld kunnen zijn tussen het wegrijden van hotel De Valk (13.18 uur) en het bereiken van de Spar (13.29 uur). Dat brengt het tijdsbestek waarin het feit gepleegd moet zijn tussen ruwweg 13.00 uur en 13.15 uur. Is dat voldoende tijd geweest voor een delict als dit?

Ik vind van wel en ik baseer dat deels op de wijze waarop het slachtoffer is toegetakeld. Dit roept immers een beeld op van een dader die in blinde woede tegen het slachtoffer te keer is gegaan. Het is niet wetenschappelijk vast te stellen wat de volgorde van de verwondingen is geweest, maar niet onaannemelijk is dat de dader het slachtoffer eerst met een mes te lijf is gegaan, waarbij het slachtoffer zich verweerd heeft (getuige de kerven in handen en gezicht), dat de dader haar vervolgens met een voorwerp op het hoofd heeft geslagen en tegen de grond heeft gewerkt, waarna er vermoedelijk ook geschopt is (-> gebroken ribben) Tenslotte zou de dader haar twee maal met een mes in de rug hebben gestoken om – cru gezegd – het karwei af te maken. Ik benadruk nogmaals dat dit mijn eigen visie is op het gebeuren. In elk geval is er naar mijn mening een geweldsexplosie geweest waarvoor niet meer dan enkele minuten nodig waren. Uit de vele bloedsporen van verdachte blijkt dat zij vervolgens de rest van de woning is doorgegaan, kennelijk op zoek naar enig voorwerp van haar gading. De linnenkast vertoont immers bloedsporen waaruit blijkt dat er door de dader gezocht is. Ik zei al eerder: met het blote oog was dit niet zichtbaar, maar wel na gebruik van dat technische hulpmiddel, genaamd luminol. [plaatje!] Deze sporen wijzen op een vluchtig zoeken waarbij met de handen langs het textiel (kleding, linnengoed e.d.) is gegaan. Voor zover bekend neemt verdachte alleen de pinpas van het slachtoffer mee. Hoe lang heeft dit dan geduurd? In mijn optiek is hier evenmin veel tijd mee gemoeid geweest. We praten over een bejaardenwoning van bescheiden oppervlakte en met een overzichtelijke indeling. Vijf minuten voor het geweld en vijf minuten voor het doorzoeken, is niet een onrealistische voorstelling van zaken. Maar zeven minuten voor het geweld en drie minuten voor het doorzoeken zou ook kunnen. Het tijdbestek is kort, maar niet te kort om het feit te plegen.

Wat doet verdachte daarna: zij verlaat de PD en gaat in haar auto rijden. Het gebeuren zal ook op haarzelf indruk hebben gemaakt en mogelijk is dit de reden van haar opvallende rijgedrag op het parkeerterrein van hotel De Valk. [beelden] Totaal doelloos, je zou bijna zeggen als een kip zonder kop, rijdt zij daar rond en in de verhoren heeft zij geen enkele verklaring voor haar aanwezigheid daar. Een paniekaanval? Ja, dat lijkt me niet zo verwonderlijk als je net op zo’n wijze je schoonmoeder naar de andere wereld hebt geholpen. Dus even naar de recreatieplas, even bij zinnen komen en nadenken over hoe nu verder. Die wond, die moet verbonden worden. Niet naar huis, ook al zijn daar pleisters genoeg, want straks merken ze iets bijzonders aan me. Naar de Spar dus maar voor pleisters! En doe dan ook maar een fles chloor en glassexdoekjes om de ergste vlekken weg te werken… En dan? Rustig blijven en gewoon boodschappen gaan doen. Dus naar Harlingen. Daarna naar huis en ’s middags doodgewoon met dochter Daniëlle naar de verjaardag van nichtje Anna… Maar hoe zit het dan met die twee getuigen, mw. Ter Stal-Terpstra en mw. Kolthoff-Robach, die het slachtoffer immers nog later op die middag hebben waargenomen? Op tijdstippen waarop verdachte een alibi heeft? Tijdens de PF-zitting op 15 juli vorig jaar heb ik hier ook al iets over gezegd en ik zal dat nogmaals doen.

Mw. Ter Stal-Terpstra (p. 702 e.v.) weet heel zeker dat zij vanuit haar woning op de 3e etage van de Froonacker op zaterdag 13 maart tussen 14.00 –15.00 uur mw. Bouma (Pietje) buiten zag lopen. “Daar gaat Pietje met haar nieuwe rollator” dacht ze nog. Zij liep in de richting van de Spar, droeg een kort jasje (oranje/terra-achtig), een lange broek en een wit, gebreid mutsje. De getuige is nog een keer gehoord en blijft bij haar verklaring (p. 705 e.v.). Op foto’s die de rechercheur aan haar voorlegt, wordt de route getekend, die zij Pietje zag afleggen: vanaf de glasbak richting de hoek en dan rechtsaf de hoek om richting Spar. Echter, om de hoek hangt ook een beveiligingscamera van hotel De Valk en uiteraard zijn ook die beelden grondig bekeken: mw. Bouma is hierop niet te zien. Als gezegd wordt zij evenmin waargenomen op beelden van de Spar en tenslotte is er nog de verklaring van mw. Mia de Koe die zegt dat mw. Bouma niet meer in staat was tot een wandelingetje (ook niet met rollator) naar de Spar. Hoewel ik geen greintje twijfel heb aan de integriteit van deze getuige moet het wel zo zijn dat zij zich vergist.

Mw. Kolthoff-Robach (p. 715) vertelt eveneens dat zij mw. Bouma die zaterdag 13 maart nog heeft gezien. Dat was om 14.45 uur, het tijdstip waarop deze getuige dagelijks naar het Trefpunt gaat voor een kopje koffie. Zij zag mw. Bouma lopen in de gang. Ze liep zonder rollator en droeg een wit mutsje. Ze had een stoffen tasje bij zich. De dames zeiden elkaar gedag en mw. Bouma ging haar woning in. Getuige weet nog te melden dat mw. Bouma ‘down’ klonk. De getuige is zeer beslist over haar waarnemingen! (“Alles werkt nog goed hoor, daarboven.”) Deze verklaring valt niet te weerleggen met technische hulpmiddelen. Maar ook hier kàn het niet anders dan dat de getuige zich vergist. Niet voor niets wordt er vanuit de wetenschap gewaarschuwd om behoedzaam te zijn met waarnemingen van getuigen. Ik denk aan prof. Wagenaar maar ook aan de hoogleraar rechtspsychologie Van Koppen.

Mijn conclusie is dan ook dat deze verklaringen onvoldoende gewicht in de schaal leggen tegenover de het vele belastende bewijs zoals ik in het voorgaande heb genoemd.

Ontbrekende puzzelstukjes

De gang van zaken die ik zojuist heb geschetst is – in mijn visie – aannemelijk. Dat betekent niet de puzzel compleet is. Er zijn tot op de dag van vandaag vragen en onduidelijkheden.

1. Wat was het moordwapen? Of meervoud: wapens? Uit de sectie blijkt dat er is geslagen met een voorwerp en gestoken. Maar of dit met hetzelfde voorwerp is gedaan valt niet met zekerheid vast te stellen, zo blijkt uit nader onderzoek genaamd MIT (Microanalyse Invasieve Trauma’s) waarvan de resultaten later zijn binnengekomen en die een verfijning van de uitkomst van de sectie behelzen Voor het steken is gebruik gemaakt van een scherp, tweezijdig snijdend voorwerp met een lemmet van 11 cm. Er zijn wel messen gevonden in de nabije omgeving van de Froonacker, maar na onderzoek konden die worden uitgesloten, meestal omdat het geen tweezijdig mes betreft. Uit het MIT-onderzoek blijkt dat er in het schedeldak van het slachtoffer deeltjes nikkel en ijzer zijn aangetroffen. Het enige mes dat vanwege de kartelvormige uitsteeksels in aanmerking leek te komen werd aldus ook uitgesloten. Het lijkt eerder te gaan – aldus de deskundigen – om vernikkeld gereedschap. “Messen met een vernikkeld stalen lemmet komen niet voor. Wel bestaat de mogelijkheid dat het heft van een mes vernikkeld stalen onderdelen bevat.” Aldus de conclusie van het multidisciplinair onderzoek aan schedeldelen en een mes, p. 5. Nu niet vast staat met welk wapen c.q. welke wapens het feit is gepleegd, valt evenmin iets te zeggen over de vraag of het wapen(s) in de woning van het slachtoffer aanwezig waren dan wel door de dader meegenomen naar de woning.

2. Waar is/zijn het wapen/de wapens gebleven? Ook op deze vraag is geen antwoord voorhanden. In de recreatieplas aan de Severander waar verdachte zegt dat zij in het gras heeft gezeten, zijn geen voorwerpen aangetroffen. Overigens heeft verdachte naar mijn mening ruimschoots de tijd heeft gehad om zich van dit voorwerp/deze voorwerpen te ontdoen. Ik verwijs dan naar het tijdsbestek tussen het verlaten van de Spar (13.32 uur) in Franeker en het binnenkomen van de Plussupermarkt in Harlingen (14.27 uur). Verdachte is daar rechtstreeks naar toe gereden over de snelweg (p. 157). Een ritje tussen beide supermarkten duurt hooguit tien minuten, een kwartiertje (aldus verdachte, p. 117). Zij verklaart dat ze eerst naar de Lidl is gegaan en toen naar de Plus. Mogelijk heeft zij ook nog weed gehaald bij de growshop, de Hells Angels, dicht bij het centrum. Het bezoek aan Lidl en growshop is niet met een technisch hulpmiddel vastgelegd dus we moeten het wat dat betreft van verdachte zelf hebben. En of zij hier wèl naar waarheid verklaart, is de vraag. Hoe dan ook: in dit uur is vanalles mogelijk geweest…

3. Hoe is verdachte precies de woning binnen gekomen? Heeft het slachtoffer haar toch binnen gelaten? Ze was vrolijk en opgewekt die ochtend, zo verklaart getuige Deelstra-Van der Vliet (p. 687), die die dag nog een kaart bij haar kocht. Dat ze goed gehumeurd was verklaart ook get. Mw. Vd Velde, de keukenmedewerkster (p. . Mw. Bouma vond de maaltijd die dag erg lekker. Een hypothese zou kunnen zijn dat het slachtoffer die 13e maart wellicht zo mild gestemd was dat zij haar schoondochter heeft binnengelaten. Maar ik geloof hier eigenlijk niks van als ik zie hoe vaak de angst voor deze schoondochter in verklaringen voorkomt. en het lijkt niet voor de hand te liggen dat zij haar vrijwillig heeft binnengelaten. In de getuigenverhoren is menigmaal getoetst of mw. Bouma voorzichtig was met haar deur te openen of niet. Zij was behoedzaam, zo niet achterdochtig , leid ik uit de verklaringen af. Volgens de getuigen Stam (p. 562) en mw. Reidinga (p. 695) maakte zij zeker gebruik van het zgn. spionnetje in de deur. En getuige Mia de Koe (p. 655) merkt op dat mw. Bouma altijd heel zorgvuldig was op het afsluiten van de deuren van haar woning. Maar hoe verdachte dan wel is binnengekomen (gelijk met mw. Bouma naar binnen gestapt? Een voet tussen de deur? Na het aannemen van een valse hoedanigheid, een babbeltruc?): geen idee. Misschien wel door de balkondeur. Die De balkondeur was weliswaar niet afgesloten, maar het is tamelijk opvallend om op die wijze op klaarlichte dag een woning binnen te gaan. Er is ook geen enkele getuige uit het buurtonderzoek naar voren gekomen die dit waargenomen heeft. Kortom, we weten het niet.

4. En dit zelfde geldt voor de wijze waarop verdachte de woning heeft verlaten. Gevoelsmatig denk ik dat dit door de voordeur is geweest en ik baseer dat op een bloedspoor vlak voor de uitgang. Mogelijk heeft verdachte met haar bloedende hand voor het spionnetje gestaan om te kijken of de kust veilig was. Maar met zekerheid valt dit niet vast te stellen.

5. Dan het motief, evenmin een pasklaar puzzelstukje. Verdachte is stellig in haar verklaring: ”ik hàd geen motief om haar te doden. 15 jaar geleden wel, maar nu niet meer.” Dat klinkt logisch: als je niet op goede voet bent met je schoonmoeder, maar je hebt al 15 jaar geen contact met haar, wat zou je je dan nog druk maken? En een financieel motief dan? “Het mens had niks, daar viel echt niks te halen.” zegt verdachte meermalen. Ook dat klinkt niet onredelijk. Mw. Bouma leefde van de AOW, aangevuld met een mini-pensioenuitkering van haar voormalige echtgenoot. Toch zijn beide motieven niet uitgesloten en dan begin ik met het financiële motief. Want al was het slachtoffer niet rijk, zij gaf ook nauwelijks geld uit, niet voor zichzelf, maar ook niet voor anderen. Waar andere ouderen hun kinderen of kleinkinderen af en toe iets toestoppen, dat was er bij mw. Bouma niet bij. Zelf heeft zij nog wel lange tijd geld van haar eigen hoogbejaarde moeder gekregen, 100 a 200 euro per keer. Met andere woorden: er kwam wel geld binnen, maar er ging weinig uit en dus viel er wellicht iets te halen. In de familie was bekend dat moeder een geldkistje had. Dat stond volgens dochter Amanda in de kaaskast (p. 775) en volgens zoon Peter (p. 797) en schoondochter Grietje Keizer in de slaapkamer (p. 801). Uit het luminol-onderzoek blijkt dat er gezocht is in de slaapkamer, misschien wel naar dit kistje. Maar vergeefs… Pas bij de doorzoeking is het kistje door de recherche gevonden, en nog wel met een aanzienlijk geldbedrag, namelijk € 5000,- . Er viel dus wel degelijk iets te halen!

Daar komt bij dat verdachte ook in haar eigen verklaringen meermalen heeft aangegeven dat zij financiële problemen had. Een selectie:
- (p.107) Ik kan al twee jaar het financiële niet onder controle krijgen, dat lukt me gewoon niet.
- (p. 138) Het is eigenlijk fout gegaan met onze financiën toen Ronny op zichzelf ging wonen op het Ankerplak. Het hele huis hebben we betaald voor hem, alles! (In deze verklaring geeft verdachte aan dat hun gezamenlijke inkomen van € 2750,- niet genoeg is om van rond te komen.)
- Op p. 139 somt verdachte haar financiële problemen op.
- (p. 156) Ik maak er gewoon een puinhoop van, van de financiën.

Ook op p. 199 geeft verdachte aan dat zij geen oplossing ziet voor haar geldproblemen. Niet uitgesloten moet dus worden dat verdachte als een kat in het nauw een hele rare sprong heeft gemaakt. En dan heb ik het nog niet eens over het vooruitzicht op een eventuele erfenis na het overlijden… Dan de wrok tegen het slachtoffer die bij verdachte bestond, een ontegenzeggelijk feit!

Wederom gebaseerd op haar eigen verklaringen:
- (p. 105) (…) ik had de meeste wrok tegen haar. Ze heeft ons zo kapot gemaakt (…) Ze heeft ons kapot willen maken. (…) Maar als je ziet wat ze ons gezin aangedaan heeft, maar met behulp van de huisarts is het niet gelukt. Maar ik was wel mijn kinderen kwijt geraakt, hoor, zover was ze. (…) De jongste ging met een bosje bloemen naar beppe. De jongste komt, Daniëlle komt terug en die zegt: ‘Jij bent een dief, hè mama? Jij maakt beesten dood en jij hebt ons altijd geslagen hè?’Dan krijg je nog een trap na.
- (p. 120) Het was niet alleen verdriet, het was onmacht. Ik kon niets al die jaren. (…) Om de verhalen die al die jaren verteld zijn, heb ik me nooit kunnen verdedigen en dat was heel frustrerend. Ik had willen bewijzen dat ik geen dief ben of beesten dood maak.
- (p. 121) Gevoel voor Pietje heb ik niet, dat is jaren geleden afgesloten.
- (p. 165) Ze (Pietje) heeft mij vroeger wel met een stok aangevallen. (…) Toen kwam ze met een grote stok op mij af en kon Ruurd haar nog net tegenhouden. (…) Ze kon iemand helemaal kapot maken. Ruurd zijn vader heeft ze ook helemaal kapot gemaakt. Die is ook helemaal kapot, nu nog.
- (p. 175) Die (Pietsje) heeft het hele gezin kapot willen maken vroeger. Van ons allemaal. Die gunde niemand het geluk.
- (p. 243) Pietje was heel erg jaloers. (…) Het was nooit goed. (…) Als ik groente maakte, op mijn manier, dan had ze er altijd commentaar op.
- (p.. 244) Ze (Pietje) heeft me pijn gedaan. Met haar opmerkingen. Dat ik mijn
kinderen mishandelde, dat ik een dief was, dat ik beesten dood maakte. Maar dit is toch allemaal ‘oud zeer’ zou je zeggen? Niet helemaal. Een recent voorval kan al die oude wrok zo weer hebben doen oplaaien en dat is het feit dat mw. Bouma begin maart verdachte de toegang heeft geweigerd. Ook na de mededeling dat haar zoon ziek was. Laaiend moet verdachte zijn geweest en ook dit kan wel degelijk een motief zijn geweest voor het geweld. Maar als gezegd: helemaal zeker is dit niet…

Twee resterende vragen:

1. Heeft verdachte met voorbedachte raad gehandeld?
2. Heeft verdachte alleen gehandeld?

Ad 1. Voorbedachte raad

Voorbedachte raad, oftewel “na kalm beraad en rustig overleg”. Volgens vaste jurisprudentie is voor een bewezenverklaring van voorbedachte rade voldoende dat komt vast te staan dat verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven (HR NJ 2000, 605. Maar ook: HR 11 juni 2002, LJN AE1743)

In de Deventer Moordzaak heeft de Hoge Raad de voorbedachte raad mede gebaseerd op de wijze waarop het delict is gepleegd. Ik citeer: “Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte opzettelijk en met voorbedachte raad het slachtoffer gedood. Dit volgt uit de wijze waarop het delict is gepleegd.

3.2. Het slachtoffer is immers op verschillende wijzen – verwurging, steken met een scherp voorwerp, mechanisch samendrukkend geweld – en op verschillende plaatsen – hals, diverse plaatsen op de borst – verwond. De verdachte moet zich ofwel tevoren van een steekvoorwerp hebben voorzien, ofwel dit steekvoorwerp in de woning van het slachtoffer erbij gepakt hebben. Toen het slachtoffer al op de grond lag is zij meermalen in de borst gestoken.” De HR vindt dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. (HR 22 febr. 2005, LJN AR5714).

Ook in een recente zaak van de rechtbank Den Haag, de moord op een 78-jarige vrouw door een vroegere medewerkster van de thuiszorg, wordt een soortgelijke redenering gevolgd. Ik citeer: “Uit het sectieverslag en de bevindingen van het forensisch onderzoek van de politie leidt de rechtbank vervolgens af dat het slachtoffer niet alleen is gestoken, maar tevens met een voorwerp moet zijn geslagen. (…) Een dergelijk scenario is redengevend voor een bewust genomen besluit om achtereenvolgens twee van elkaar verschillende vormen van geweld toe te passen, hetgeen past bij voorbedachte rade. Er zijn messteken toegebracht. Het is niet relevant of verdachte het daartoe gehanteerde mes al bij zich had voordat zij het slachtoffer bezocht, dan wel dat zij in de woning een mes van het slachtoffer heeft gepakt. In beide gevallen heeft verdachte de keus gemaakt om respectievelijk het meegenomen mes ter hand te nemen dan wel een dergelijk mes elders in de woning te pakken teneinde op het slachtoffer in te steken en kan van een impulsieve beslissing geen sprake zijn geweest. De rechtbank laat ten aanzien van de beantwoording van de vraag of sprake is van voorbedachten rade dan ook in het midden of verdachte het mes al bij zich had of dat zij het mes in de woning van het slachtoffer heeft gepakt, omdat de rechtbank in beide gevallen tot de conclusie komt dat er voor verdachte gelegenheid is geweest om zich te beraden over de betekenis en de gevolgen van haar besluit.

Ten slotte weegt de rechtbank ten aanzien van deze vraag nog mee dat verdachte na het plegen van dit feit de woning heeft doorzocht, kennelijk op zoek naar geld of andere waardevolle goederen, hetgeen al evenmin wijst op een impulsieve daad waaraan geen besluitvorming vooraf ging.

De rechtbank komt, op grond van al de vorengenoemde omstandigheden, die elkaar aanvullen en ondersteunen, tot de slotsom dat bij verdachte sprake was van voorbedachte rade.”.

Eerder heb ik betoogd dat het feit in relatief korte tijd moet zijn gepleegd. Staat dit het kalm beraad en rustig overleg niet in de weg? Dat verweer werd door de Hoge Raad verworpen in een arrest van 11 juni 2002, LJN AE1743: “Daaraan doet niet af dat, zoals het middel aanvoert, die gelegenheid slechts gedurende korte tijd zou hebben bestaan.”

In een heel recent arrest van de HR van 11 febr.2011 (LJN: BO5354) verwijst AG Hofstee naar diverse uitspraken van de HR waarin wordt bepaald dat de tijdspanne heel kort kan zijn. Bijv. HR 22 februari 2005, LJN AR5714, waarin is bepaald dat het tijdsverloop zich zelfs ten dele kan voordoen tijdens de noodlottige handelingen. Hofstee concludeert dan ook: “Gezien  deze rechtspraak meen ik te kunnen vaststellen dat de Hoge Raad niet al te zware eisen stelt aan de feitelijke beoordeling van de gelegenheid tot nadenken of bezinning tussen het besluit en de uitvoering ervan.”

Misschien duidt in deze zaak het korte tijdsbestek wel op het tegendeel: verdachte is die dag immers doelgericht naar De Froonacker toegegaan. Zij had daar niets te zoeken behalve haar kennelijke voornemen om het slachtoffer van het leven te beroven. Zij heeft hierbij bewust gebruik gemaakt van een hard en/of scherp voorwerp, waarbij het – in de lijn van genoemde jurisprudentie – niet van belang is of zij dit voorwerp/voorwerpen al bij zich had of in de woning ter hand heeft genomen. Er is daarmee meermalen geslagen en gestoken en er is geschopt. Het korte tijdsbestek waarin dit alles zich voltrokken heeft, toont aan dat de verdachte zich wel moet hebben voorbereid, in die zin dat zij in elk geval van te voren heeft uitgezocht waar het slachtoffer woonde. (Ik laat in het midden of zij hierbij is opgemerkt door de getuigen Meersma, Engbrenghof of Smits). Op geen enkele wijze is een omstandigheid aannemelijk geworden (laat staan door verdachte zelf naar voren gebracht!) dat zij in een gemoedsopwelling heeft gehandeld. Verdachte heeft naar mijn overtuiging dan ook met voorbedachte raad gehandeld.

Ad 2. Alleen gehandeld?

In dit onderzoek is gebruik gemaakt van Bijzondere Opsporingsbevoegdheden, ook wel BOB-middelen genoemd. De inzet daarvan is telkens gebeurd met inachtneming van de wettelijke voorschriften. Ik verwijs daarvoor naar de onderliggende stukken. Bij het opvragen van camerabeelden heb ik al iets langer stilgestaan. De overige BOB-middelen hebben geen rechtstreeks bewijs opgeleverd, maar dragen wel bij aan de overtuiging dat verdachte alleen heeft gehandeld. Noch uit de tapgesprekken, noch uit de opgenomen vertrouwelijke informatie (OVC) komt enige aanwijzing naar voren dat verdachte samen met iemand anders gehandeld heeft. Het medeplegen is om die reden niet ten laste gelegd. De tapgesprekken en de OVC-gesprekken geven verder aardig zicht op de manier waarop verdachte omgaat met de belastende onderzoeksresultaten. Daarover later meer.

In het voorgaande heb ik betoogd dat ik ervan overtuigd ben dat verdachte mw. Bouma heeft vermoord en ik zal nu ingaan op de term ‘overtuiging’. Bewijsmiddelen moeten namelijk niet alleen wettig bewijs omvatten, maar zij moeten ook overtuigend zijn. Dat is mijns inziens reeds het geval, maar ten overvloede wil ik nog even stilstaan bij de leugenachtigheid van verdachte.

Illustratie leugenachtigheid van verdachte

In het dossier zijn diverse getuigenverklaringen die wijzen op leugenachtigheid van verdachte, vooral uit familiaire kring. “Helma is een type van list en bedrog” zo wordt zij al in de eerste getuigenverklaringen gekenschetst. Het zijn juist deze verklaringen die verdachte hels maken en waarover zij veelvuldig en langdurig foetert met naaste familieleden. Hoe dúrven die rotzakken zo over haar te praten!! Het zijn de verhalen over de geleende camper (de hond mocht er niet in maar was toch meegenomen), een oud-voor-nieuwe omgeruilde kinderbuggy, het verwisselen van prijsjes, het oplichten van de verzekering… Dit is echter allemaal ‘zachte’ informatie, waarmee ik niet veel kan. Maar er is in elk geval 1 geval – los van haar betrokkenheid bij het feit! – van aantoonbare leugenachtigheid en dat wil ik hierbij uiteenzetten.

Uit de tapverbalen (p. 1258 e.v.) blijkt dat er op 22 maart 2010, iets na 12.00 uur een gesprek heeft plaatsgevonden tussen verdachte en haar stiefmoeder, door haar tante Klaaske genoemd. Tante Klaaske belt op en treft verdachte in mineur. Na enig aandringen zegt verdachte huilend wat er aan de hand is: “Ik ben gisteren aan het pinnen geweest en nou ben ik dat geld kwijt geraakt en ik durf het niet tegen Ruurd te zeggen.” Tante Klaaske hoort het eerst niet zo goed, maar spreekt wat geruststellende woorden in de trant van ‘Het komt allemaal wel weer goed.’Verdachte snijdt het onderwerp nogmaals aan en zegt: “Ik weet niet hoe ik het hem zeggen moet. Ik ben gisteren naar de bank geweest en heb ik geld gepind en dat ben ik kwijt geraakt. Ik weet bij god niet waar het is. Ik kan het nergens meer vinden.” Nu schrikt tante Klaaske ook en zij vraagt o.a. hoeveel verdachte dan had. “Ik had 1000 euro opgenomen. Daan het morgen theorie en afrijden nou. En mijn boodschappengeld en manegegeld alles had ik bij elkaar en alles is weg.”

Ja, het zal je maar gebeuren… Maar is het ook gebeurd? De eerste vraag is dan: heeft verdachte inderdaad op 21 maart 2010 € 1000,- gepind? Door de afdeling financiële recherche is onderzoek gedaan naar het financiële reilen en zeilen van verdachte en haar gezin. Hiertoe zijn bankopschriften opgevraagd en die bevinden zich in het dossier. En wat blijkt? Op 21 maart 2010 is er helemaal geen pintransactie geweest! Sterker nog: een pintransactie zal binnen enkele minuten na dit gesprek gaan plaatsvinden: uit het bankafschrift op p. 1128 blijkt dat op 22 maart 12.53 uur € 1200,- wordt gepind. Verdachte heeft het expliciet over een opname van € 1000,-. Dat bedrag is gepind op 26 febr. om 10.45 uur. Dat is nou niet bepaald ‘gisteren’ zoals verdachte tot twee maal toe zegt, maar bijna een maand daarvoor…

Dit illustreert naar mijn mening de leugenachtigheid van verdachte. Haar geliefde stiefmoeder, want verdachte zegt zielsveel van haar te houden, wordt op die 22e maart keihard voorgelogen… Mw. Klaaske Zeldenrust is op 14 april 2010 als getuige gehoord en zij weet zich dit nog goed te herinneren (p. 906): “Mij schiet nu te binnen dat ik Helma een keer belde en dat zij mij daarbij vertelde dat zij € 1000,- had gepind en dat zij dat geld kwijt was geraakt. Dat is volgens mij in de week geweest voordat Helma door de politie is opgepakt. Ik weet dat niet zeker meer. Zij heeft mij toen niet om geld gevraagd.” Deze 77-jarige getuige beschikt over een uitstekend geheugen. En hoe zit het met verdachte zelf? In het 7e verhoor van 14 april (p. 200) erkent ze dat ze tante Klaaske heeft verteld dat ze bijna 1000 euro was kwijtgeraakt. In het laatste verhoor van 11 juni 2010 (p. 269) wordt zij met haar leugenachtigheid geconfronteerd en zij zegt dan: “Ik heb tante Klaske nooit om hulp gevraagd. Volgens mij was dit eerder. Ik had € 1200,- gepind. Verder had ik € 200,- er al bij vandaan gehaald. Ik denk dat tante Klaske daar mee in de war is. Ze wordt ouder en ze kan zich in de dag vergissen.” Nee, tante Kla(a)ske is niet in de war: het tapgesprek en de bankgegevens zijn glashelder. De enige die liegt is verdachte. Verdachte die van zichzelf zegt dat zij niet kan liegen (p. 225). “Dan word ik knalrood, vraag de kinderen maar.” Dat klopt. Dochter Daniëlle bevestigt dit als haar gevraagd wordt of haar moeder gemakkelijk een leugen vertelt (p. 871): “Niet gemakkelijk. Dan verstrikt zij zich in haar woorden. Zij mompelt dan maar wat en herhaalt woorden.”

Bijzonder. Misschien is dit alleen te verklaren met een andere terminologie. Verdachte vindt niet dat zij liegt, in haar beleving vertelt zij geen leugens, zij vertelt alleen haar eigen waarheid en dat hoeft niet de echte waarheid te zijn. Dat doet mij denken aan getuige Nicolai, die dit mooi verwoord heeft tegenover de verbalisanten (p. 933): “Ik kan in deze verklaren dat Helma niet snel van haar eigen verhaal was af te brengen. Wat zij zei was voor haar waarheid.” En tegen verdachte zei hij ooit (volgens getuige Piet Keizer, p. 842): “Famke, famke, wat kenst dow toneel spielje.”

“Wat verdachte zegt, is haar waarheid.” Dat zou wel eens het motief in deze zaak kunnen zijn.

Het trieste is dat zij anderen meesleurt in deze waarheid: haar man, haar kinderen… En zij denkt politie en justitie hierin mee te kunnen nemen. Dat brengt mij op een ander aspect in deze zaak: het feit dat verdachte er niet voor terug deinst anderen aan te wijzen als verdachte. Aan alle familieleden wordt kort na de moord gevraagd “wie zou dit gedaan kunnen hebben?” Getuige Heeres noemt dan al de broers Sahal en Hoessein. Uit een tapgesprek van 18 maart 2010 blijkt dat verdachte een gesprek heeft met haar zoon Ronny, waarbij laatstgenoemde meldt dat die Somaliërs nog steeds op hetzelfde adres wonen. Tien dagen later, op 28 maart 2010 om 9.10 uur wordt door getuige . Van Biessum de bankpas van het slachtoffer gevonden, maar – als gezegd – om tactische redenen (dader-info!) wordt dat niet naar buiten gebracht. Enkele dagen later wordt verdachte Heeres aangehouden. In de loop van de eerste verhoren wordt verdachte ingelicht over het feit dat haar bloed is gevonden in het huis van het slachtoffer. Op p. 185 wijst verdachte nogmaals heel uitdrukkelijk naar deze twee broers. Hoe komen die dan aan haar bloed, wordt haar gevraagd. “Dat weet ik niet. Misschien wel een stuk maandverband uit een container. Drie weken geleden was ik ook ongesteld. Misschien wel een tampon of zo.” Verdachte tekent vervolgens op de kaart waar deze jongens wonen, op de Schoener. “Doe een huiszoekingsbevel zou ik zeggen.” adviseert zij het verhoorkoppel. Op woensdag 21 april is de raadkamer gevangenhouding en verdachte bepleit wederom haar onschuld. Bij het laatste woord noemt verdachte wederom deze broers en ze maakt dan een opmerking dat er dingen daar in de tuin zijn gevonden (aldus het PV van de raadkamer p. 250). Bingo! De dader-info komt naar buiten! “Wat voor dingen zijn daar dan aangetroffen en hoe weet verdachte dat?” wordt haar in het 9e verhoor op 26 april gevraagd. Zij antwoordt (p.234): “Hij (de advocaat) zei dat er een pasje was gevonden. Wat voor pasje weet ik niet. Hij zei dat het in de stukken stond, zodoende kwam ik daarachter.” Maar, leden van de rechtbank: dit heeft NIET in de stukken gestaan. U kunt alle voorlopige PV’s daarop naslaan. Het moet dan ook wel zo zijn dat verdachte het betaalpasje van mw. Bouma heeft meegenomen en enkele weken na de moord heeft gedeponeerd in de tuin bij de fam. Hirschi (al dan niet tijdens een rondje met de hond). Dit alles met het doel de recherche op een dwaalspoor te brengen. Je moet maar lef hebben! Verdachte verklaart in de verhoren dat zij de informatie van haar advocaat heeft maar dat lijkt me ook typisch een verklaring die alleen voor haar waarheid is… Op p. 232 geeft verdachte wel een verklaring voor haar verdenking in die richting: “Omdat hun ons al jaren lang dwars zitten, treiteren.”

Maar dan, in het laatste verhoor van 11 juni 2010 komt er een kentering: niet de Somalische broers zouden de boosdoeners zijn, maar zo zegt zij (p. 263): “Ik ben er wel zeker van dat Tetje hier achter zit.” In een tapgesprek van 20 mei merkt zij ook uitdrukkelijk op dat zij zichzelf bij Tetje heeft verschoond. De suggestie die hier vanuit gaat is duidelijk, maar minstens zo bizar als haar opmerking over het feit dat de gebroeders Hirschi haar tampon of maandverband uit de container zouden hebben gehaald. Nu zou, kennelijk door Tetje, de tampon van verdachte zijn veiliggesteld, waaruit het bloed is gehaald om de ‘mooie drupjes’ in de woning van beppe achter te laten. En beppe zelf van het leven te beroven uiteraard. Het is de beschuldiging aan het adres van Tetje die ik ook weer teruglees in het rapport van het Pieter Baan Centrum. Tot zover mijn uitwijding over de bijzondere hersenspinsels/leugenachtigheid van verdachte. Ik ben terug bij mijn conclusie.

Conclusie

Leden van de rechtbank, met het voorgaande heb ik bedoeld te betogen dat uw rechtbank tot het oordeel dient te komen dat verdachte Heeres handelde met voorbedachte raad en dat dus de zwaarste variant van het ten laste gelegde, namelijk de moord op mw. Bouma, bewezen dient te worden verklaard. Moord is een strafbaar feit (beter gezegd: het zwaarste strafbare feit uit het Wetboek van Strafrecht) en verdachte Heeres is een strafbare dader. Kort gezegd: er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die de strafbaarheid van het feit of de verdachte verminderen dan wel wegnemen.

Rapportages rond verdachte Heeres:

De conclusie van het recent opgemaakte rapport van het Pieter Baan Centrum luidt dat verdachte Heeres toerekeningsvatbaar geacht wordt voor het tenlastegelegde, indien bewezen. Ik neem deze conclusie over. Helaas wordt er verder opgemerkt dat ‘vanuit gedragskundig oogpunt geen uitspraak kan worden gedaan over de recidivekans.’

De overige rapportages uit het dossier zijn:
- de rapportage van drs. M. Verkade, psycholoog (d.d. 10 juni 2010)
- de rapportage van mw. drs. P.A. de Mon, psychiater (d.d. 11 juni 2010)
- het reclasseringsrapport opgesteld door E. Vroegop (d.d. 7 juni 2010)

Ik heb kennis genomen van al deze rapportages, maar zal verder niet ingaan op de inhoud ervan. Evt. opmerkingen:

Strafmaatoverwegingen?

Om tot een passende strafmaat te komen, hou ik rekening met een aantal factoren. In de eerste plaats is dat – maar dat behoeft nauwelijks betoog – de ernst van het feit. Verdachte heeft haar schoonmoeder het hoogste goed, namelijk haar leven, ontnomen. Behalve voor het slachtoffer zelf, heeft dit ook enorme gevolgen gehad in het persoonlijk leven van de nabestaanden. Twee zonen en een dochter van het slachtoffer hebben met medewerking aan Slachtofferhulp Nederland hun gevoelens indrukwekkend onder woorden gebracht. Zelf had ik een gedachte bij de fotomapjes in de berging: hield mw. Bouma misschien toch een slag om de arm dat ze ooit weer wel contact met haar kinderen zou hebben…? Haar dood maakt de breuk met haar kinderen onherstelbaar….

Verder moet ik rekening houden met wat in den lande voor dit soort zaken wordt opgelegd, hoewel elke zaak natuurlijk anders is. Dat brengt met zich mee dat de wens van de familie om de straf zo lang mogelijk te laten zijn, niet reëel is. Levenslange gevangenisstraf voor 1 moord, waarbij de verdachte geen strafblad heeft, wordt in Nederland nu eenmaal in zeer uitzonderlijke gevallen. Ik denk bijvoorbeeld aan de moord op Theo van Gogh. Maar wat wel? In november 2010 (LJN BO4731) is in de zaak van moord op een Amsterdamse crèchehoudster door de rechtbank Amsterdam 22 jaar gevangenisstraf opgelegd.
In de Haagse zaak, die ik al eerder heb genoemd vanwege de raakvlakken met deze zaak (moord op 79-jarige vrouw) is onlangs in hoger beroep 20 jaar geëist. Het arrest volgt in de loop van maart zodat ik niet kan zeggen wat de straf uiteindelijk wordt…
Maar er zijn ook talloze zaken die lager uitvallen, 15, 16 jaar…

Een factor die strafverminderend werkt is het feit dat verdachte geen documentatie heeft.

Maar verder, moet ik helaas constateren, zijn er alleen maar factoren die leiden tot een hogere eis:

1. de gruwelijkheid van het feit: steken/snijden met een mes, slaan op het hoofd met een voorwerp (foto’s sectie!), schoppen met een cowboylaars tegen de rug en ook nog messteken in de rug. Een geweldsexplosie, zo heb ik dit al eerder aangeduid, waarbij het vermoedelijk enige tijd heeft geduurd voordat het slachtoffer aan haar verwondingen is overleden. (-> vegen van handen en haar in het bloed) Zij is zich dus enige tijd ten volle bewust geweest van het geweld, nota bene gepleegd door de schoondochter waar ze al zo bang voor was…

2. het delict is gepleegd in de woning van het slachtoffer, een plek waar een ieder zich veilig moet voelen. Vandaar dat dit gebeuren ook op de medebewoners een ongelofelijke impact heeft gehad.

3. de kwetsbaarheid van het 69-jarige slachtoffer: kortademig, slecht ter been (liep met rollator), weerloos…

4. het feit dat verdachte – tegen beter weten in – hardnekkig ontkent en denkt hiermee weg te komen. Die middag gaat ze doodleuk winkelen, op verjaardagsbezoek en naar de manege.

5. Nu kan je tegen het voorgaande punt nog inbrengen dat niemand verplicht is aan zijn eigen veroordeling mee te werken, maar wat verdachte verder doet is natuurlijk hoogst kwalijk: zij is bikkelhard in het aanwijzen van anderen als dader. Eerst moesten de gebroeders Hirschi het ontgelden, daarna de schoonfamilie, in het bijzonder schoonzuster Tetje. Buitengewoon schokkend voor deze mensen. [toelichten!]

6. het gegeven dat iedere vorm van spijt of berouw bij haar afwezig is. Ik begrijp ook wel dat dat samenhangt met haar proceshouding. Maar het is wel een gegeven.

7. recidivegevaar. Toegegeven: de deskundigen kunnen daar geen uitspraak over doen, dus ik laat mijn gezond verstand hierover spreken: uit het rapport blijkt wel dat verdachte een vrouw is met borderlinetrekken, die emotioneel instabiel is, zwart-wit denkt en weinig probleemoplossend vermogen heeft. Deze vrouw heeft op 13 maart rond 13.00 uur haar schoonmoeder op brute wijze van het leven beroofd en zit enkele uren later, rond de klok van 16.00 uur, met bijna haar complete schoonfamilie ‘gezellig’ om de koffietafel. En niemand merkt iets aan haar! Als je zo koelbloedig bent dat je hiertoe in staat bent, dan vrees ik eerlijk gezegd voor de toekomst.

Bezig met verzenden, Een ogenblik geduld AUB...

Gerelateerde Twitter Berichten.
( Camilleri NL heeft momenteel 5073 Twitter volgers en 8590 Tweets. )










, , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,
WP Like Button Plugin by Free WordPress Templates