U bent nu hier: Home » Advocaat » Advocaat Jan Hein Kuijpers in Bende van Oss

Advocaat Jan Hein Kuijpers in Bende van Oss

Advocaat Jan Hein Kuijpers, de advocaat van Willem Holleeder, speelt mee in de film De Bende van Oss. Saillant genoeg heeft de Waalwijkse advocaat een rol als crimineel in de film. Kuijpers was zo enthousiast over de film, dat hij via zijn goede vriend Frank Lammers een rol heeft veroverd. Zijn personage heet ‘een zekere Piet’. De topadvocaat heeft ook een paar zinnen tekst. Actrice Sylvia Hoeks uit Maarheeze gaat de hoofdrol spelen. Ze vertolkt de rol van Johanna Heesch, een jonge uitbaatster van een café. Verder zullen Frank Lammers uit Mierlo, Theo Maassen uit Eindhoven en Marcel Musters uit Tilburg in de speelfilm te zien zijn. Ook Daan Schuurmans speelt een rol. De Bende van Oss was in de jaren ’30 van de vorige eeuw berucht.

De bende pleegde overvallen en verschillende moorden, waaronder de gewelddadige moord op de broers Verhoeven uit Oijen in 1934. In die tijd was de werkloosheid in Oss enorm door de sluiting van twee margarinefabrieken. De leden van de bende overvielen mensen en dwongen ze hun spaargeld in te leveren. De gewelddadige botsingen tussen het proletariaat, de katholieken en de protestanten leidden in 1939 tot zware kritiek op het kabinet-Colijn. Voor de ware misdaadfanaten, hieronder een greep uit de oude analen over deze destijds zo beruchte bende, door auteur Frans Ceelen (geen familie van J.P. Ceelen). Advocaat Jan Hein Kuijpers: “Er zijn dertig moorden gepleegd, die gasten van de Bende van Venlo zijn er maar mietjes bij.”

Moorden in Oss

“In Oss vijf moorden in tien maanden”, berichtte het Brabants Dagblad in 1995. Onwillekeurig gingen mijn gedachten naar de tijd dat Oss als een centrum van misdadigheid werd beschouwd, de jaren 1923 tot en met 1935. In die 12 jaren werden er 24 moorden gepleegd, die juridisch moeten worden vertaald in (poging tot) moord, (poging tot) doodslag, (zware) mishandeling de dood tengevolge hebbende, diefstal met geweld de dood tengevolge hebbende en brandstichting, iemands dood ten gevolge hebbende.

Oss heeft in het verleden twee aanzienlijke golven van criminaliteit moeten verduren. De eerste vond plaats na het vertrek van de margarinefabriek van de firma Van den Bergh in 1892 en bereikte een triest hoogtepunt met de moord op de wachtmeester der marechaussee G.A. Hoekman in 1893. Nog geen halve eeuw later volgde een tweede golf van criminaliteit, gekenmerkt door inbraken, diefstallen, brandstichtingen en moorden. Hierbij stond de zogenaamde “Osse Bende” centraal.

Oss had in die tijd ongeveer 16.000 inwoners. De gemeentepolitie Oss telde tien man, terwijl de marechaussee vijf man telde. In 1933 schreef de psychiater van de Bossche rechtbank, Dr. J. Casparie, een artikel in een landelijk dagblad, waarin hij de oorzaak van de vele, maar vooral zware, misdaden probeert te verklaren.

Hij stelt dat de misdadigheid in en om Oss geen psychopathologische achtergrond heeft, omdat er bijna nooit een onderzoek naar de geestvermogens werd gelast en omdat hij zo goed als nooit termen aanwezig achtte om de rechter te adviseren een van de leden van die Osse Bende psychiatrisch te doen onderzoeken. Volgens hem wordt een vrij grote dosis intelligentie misbruikt tot list en sluwheid in het plegen van misdrijven.

“De solidariteit, het goed georganiseerde complot, de onherroepelijkheid van hun bedreigingen en de uitvoering daarvan maakt die grote familie van misdadige elementen tot een hoogst gevaarlijke, brutale en meer en meer op een Amerikaanse bandietengemeenschap gelijkende bende. Ze verraden elkaar niet, en ze bedreigen hen, die getuigen kunnen, met moord. En vroeg of laat houden ze hun woord. Ze staan als één man vijandig tegen alles wat politie of justitie is.”

De Ossenaren die in het Huis van Bewaring worden ingesloten zijn over het algemeen beleefde, een beetje onverschillige mensen. Ze zijn ijverig in hun werk, praten veel en opgewekt, maar ze zeggen nooit een woord als men het gesprek wil brengen op het strafbare feit, waarvoor ze “zitten”. Ze hebben een soort van zekerheidsgevoel, dat in hun wezen is uitgedrukt. “Ge mot ons toch weer loslaten” spreekt uit hun kalme en rustige houding. En helaas hebben ze al te vaak gelijk, aldus Casparie.

Die houding en dat zekerheidsgevoel komt volgens Casparie voort uit de tijd dat Oss in 1399 privileges kreeg van Johanna van Gelder: “Geen poorter [=inwoner FC] van Oss mag in Oss of in de gehele Meijerij van Den Bosch door een schout of benadeelde partij voor het gerecht worden gedaagd wegens doodslag of medeplichtigheid aan doodslag, tenzij ook door twee onpartijdige poorters van Oss tegen hem getuigd is.” Daar kwam nog dit bij: als men iemand uit Oss betichtte van doodslag, en het kon niet bewezen worden door de getuigenis van twee inwoners van Oss, dan kreeg de aanklager 30 oude Schilden boete, waarvan de helft aan de onschuldig betichte moest worden betaald.

“Meestal blijft de Osse misdadiger werken in eigen milieu, soms komen er elementen van buiten Oss tussen en een enkele keer gaan ze erop uit. De overvallen en inbraken in den “vreemde” – buiten het arrondissement ’s-Hertogenbosch – gepleegd door leden van de Osse onderwereldgemeenschap blijven meestal niet ongestraft.

Het veiligst werkt men op eigen bodem. Volgens de preventieven-registers van het Huis van Bewaring te ‘s-Hertogenbosch over de jaren 1922 tot en met 1933 blijken er 175 verdachten uit Oss te zijn ingeschreven, waarvan er 77 zijn veroordeeld, terwijl er 92 in vrijheid zijn gesteld zonder dat het tot de behandeling van een strafzaak is gekomen (5 zaken waren nog in behandeling, terwijl één verdachte was geplaatst in een krankzinnigengesticht). Slechts 44% van de verdachten werd veroordeeld,” besluit Casparie zijn artikel.

In 1934 komt er echter een kentering. De marechaussee wordt met 15 man versterkt. Wie na cafétijd op de Berghemscheweg loopt of in het Schaykscheveld – criminele buurt in Oss – wordt aangehouden. Altijd patrouilleert daar de marechaussee, maar niemand weet waar en wanneer ze zullen opduiken. Tientallen processen-verbaal worden zo opgemaakt voor eenvoudige overtredingen zoals jachtdelicten en het dragen van wapens zonder vergunning (niemand in Oss mag nog een mes bij zich hebben met een lemmet, langer dan 5 centimeter). Als gewone landloper vermomd of als gewone klant gaan politiemensen in het café zitten. In hoofdzaak om te luisteren. Het gebeurt ook dat ze in de duisternis bij de ramen van woningen hun oor te luisteren leggen.

Menig gesprek wordt zo opgevangen en bij een aanhouding laat men dan terloops merken, dat men dit of dat weet. Ook worden celgesprekken met medeverdachten afgeluisterd. Na de versterking kwam de leiding van het opsporingswerk bij de opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee Mintjes te liggen. De procureur-generaal wilde dat zo: de gemeentepolitie had alleen opsporingsbevoegdheid in Oss, de marechaussee had met gemeentegrenzen weinig te maken.

Burgemeester Ploegmakers van Oss was het daar niet gelukkig mee en schreef de procureur-generaal: “Indien de leiding in handen van één hulpofficier van justitie wordt gelegd en hiervoor wordt aangewezen de opperwachtmeester-brigadecommandant der Koninklijke Marechaussee te Oss, zou ondergetekende daarbij geheel worden uitgeschakeld. Een dergelijke passiviteit bij de leiding van het onderzoek naar de bedrijvers van roofovervallen, enz. moge misschien voor ondergetekende gemakkelijk zijn, doch wordt door mij niet gewenst.”

In de jaren 1934 en 1935 worden ongeveer 300 misdrijven opgelost. Van deze zaken worden er in de periode van maart 1935 tot juni 1936 ongeveer 50, met in totaal 155 verdachten, door de rechtbank en later door het gerechtshof in hoger beroep behandeld. De arrestatie en veroordeling van J.P. Ceelen  voor de moord op caféhouder Jan van de Pas te Berghem is exemplarisch voor het criminele klimaat. Daarom wil ik daar dieper op ingaan.

De moord op Jan van de Pas

Op een eenzaam stuk weiland, gelegen langs de Spaanderstraat onder de gemeente Berghem wordt in de ochtend van 9 november 1932 te omstreeks 11.30 uur het lijk van een onbekend manspersoon gevonden, wiens gezicht met bloed bedekt is.

De opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee te Oss, H. Soethout, die de melding als eerste ontvangt, spoedt zich ter plaatse en herkent het lijk als zijnde “Johannes (Jan) Marinus Cornelus van der Pas, geboren te Oss, wonende aldaar Berghemscheweg 142″. Daar er vermoeden van misdrijf bestaat, wordt de officier van justitie te ’s-Hertogenbosch direct gewaarschuwd, die ter plaatse verschijnt, vergezeld van de rechter-commissaris. Van der Plas blijkt gedood te zijn met vier revolverschoten. De lijkschouwers rapporteren dat drie onbelangrijke schotwonden in armen en lendenen te zien zijn en dat een vierde (laatste) kogel, binnengekomen onder het linkerschouderblad, recht door het hart is gegaan. De afstand is waarschijnlijk niet al te groot geweest. Het slachtoffer moet zich nog onder de aanval omgewend hebben.

De vrouw van Jan van der Pas (Janske van Uden, 27 jaar) die als eerste wordt gehoord verklaart tegenover de politie dat zij die nacht wel gemerkt heeft dat haar man er niet was, maar dat zij niet ongerust was geweest, omdat hij wel meer ‘s nachts weg bleef. Volgens haar verklaring heeft Jan op 8 november in het café zijn verjaardag gevierd waarbij buiten Jan en zij ook aanwezig waren Jan Ceelen, Harry van der Venne (een vriend van Ceelen) en het dienstmeisje Jans Geurts (14 jaar). Janske was eerder naar bed gegaan, omdat zij zich niet lekker voelde. Tegen 23.00 uur wordt ze door haar man wakker gemaakt die zegt dat hij even bij de Branie (bijnaam voor de weduwe van F. de Bie, wonende aan de Berghemseweg te Berghem) gaat kijken of daar zijn eenden zijn. Hij vermoedt namelijk dat zijn eenden, die een paar dagen geleden gestolen waren, bij de Branie zijn.

Om acht uur in de morgen is ze het dienstmeisje gaan roepen en heeft haar naar café “Boeijen” (“de Witte”) te Berghem gestuurd, om te vragen of haar man daar is geweest. Als het dienstmeisje terug komt, wordt ze vervolgens naar café “Den Hommel” aan de Heescheweg te Oss gezonden om naar haar man te vragen. Op beide adressen is haar man niet geweest.

Het is ongeveer 10.00 uur geworden als zij Ceelen ziet lopen. Ceelen, Johannes (Jan) Petrus, 20 jaar, bijnaam “de Ceel”, woont achter het café van Van der Pas in een boerderij bij zijn ouders op het adres Berghemscheweg nummer 152 te Oss. Zij roept Ceelen binnen en vertelt hem dat haar man nog niet thuis is, waarop Ceelen haar adviseert om eens bij café “Van Hinthum” te Berghem te gaan kijken. Nadat het dienstmeisje daar is geweest en vertelt dat Van der Pas daar ook niet was, heeft zij Ceelen gevraagd naar de politie te gaan om te informeren of haar man “in de kast zit voor zattigheid.”

Als Ceelen op verzoek van de vrouw van Van der Pas op weg naar het politiebureau, de wachtmeester Curfs, die zich per fiets naar de plaats van het delict begeeft, tegenkomt, houdt Ceelen hem aan om te vertellen dat hij gehoord heeft dat Jan van der Pas gisteravond van huis is gegaan en nog niet terug is gekomen. Curfs die hem wel kent, ziet dat de anders zo blozende en brutale “Ceel” nu wit is weggetrokken en trilt.

Hij brengt het een en ander in verband met de vondst van het lijk en veronderstelt dat Ceelen er waarschijnlijk meer van weet. Curfs houdt hem dan ook meteen aan en stelt hem in politiebewaring. Maar Ceelen ondergaat met grote vrijmoedigheid en koelheid het onderzoek en na een verhoor door de rechtercommissaris, in tegenwoordigheid van de officier van justitie, wordt hij weer in vrijheid gesteld. Hij ontkent pertinent iets met de moord te maken te hebben.

Nadat Janske van Uden op de hoogte is gebracht van de moord op haar man verklaart zij onder andere tegen de politie dat zij vaak werd mishandeld door haar man als hij gedronken had. Zij hield daarom Ceelen expres in huis om die mishandelingen te voorkomen. Zij was ongeveer 3 jaar met Van der Pas getrouwd, doch pas éénmaal met hem uit mogen gaan. Hij ging altijd alleen uit. Zij zegt nooit een intieme verhouding met Ceelen te hebben gehad.

Hoe haar man “aan dit ongeluk is gekomen en wie hem dit heeft toegebracht”, weet zij niet. Op verzoek van de politie somt zij de uitkeringen op die zij ontvangt door het overlijden van haar man: Levensverzekering ƒ 500,–, overlijdensfonds ƒ 100,– en omdat zij abonnee is van diverse bladen en in het bezit van een verzekeringspolis van dat blad ontvangt zij van de courant “De Gelderlander” ƒ 500,–, van weekblad “Het Leven” ƒ 500,– en tenslotte van “Het Stuiverblad” ƒ 500,–.

Ceelen die na zijn invrijheidstelling als getuige door de opperwachtmeester van de Koninklijke marechaussee wordt gehoord, verklaart dat hij inderdaad veel in het café van Jan van der Pas kwam. Hij bleef er wel eens laat als Jan nog niet thuis was en de vrouw van Jan het wilde hebben dat hij bleef, daar Jan lastig was als hij gedronken had. Hij zegt dat hij op 8 november de gehele dag bij Van der Pas is geweest, van 10.00 uur tot ongeveer 23.00 uur.

Hij is toen naar huis gegaan. Van de moord op Jan van der Pas weet hij niets. Hij is nog nooit in het bezit geweest van een vuurwapen. De marechaussee gesteund door de gemeentepolitie Oss, pakken het onderzoek voortvarend aan en horen meer dan 100 getuigen in deze zaak, in de overtuiging, die door heel Oss wordt gedeeld, dat niemand anders dan “De Ceel” de moord gepleegd kan hebben. Overtuiging is 100% maar nu het bewijs nog…..

Tal van getuigen gehoord

“Criminaliteit in Oss: Men kent de feiten, men kent de daders, maar het juridisch bewijs ontbreekt”, kopte een landelijk dagblad in 1932. De Koninklijke Marechaussee en de gemeentepolitie Oss doen er echter alles aan om het juridische bewijs te vergaren in de moordzaak waarin Jan van der Pas op 9 november 1932 dood werd gevonden onder de gemeente Berghem. Hoewel Jan Ceelen als potentiële dader wordt gezien trekken marechaussee en gemeentepolitie alle geruchten en aanwijzingen na en de verkregen verklaringen worden vastgelegd in een proces-verbaal en toegezonden aan de officier van justitie en de rechter-commissaris te ‘s-Hertogenbosch. Zo blijkt wel uit het volgende:

Op 14 november 1932 verklaart een tramconducteur uit Nijmegen dat hij in de tram op het traject Nijmegen-Cleve een man uit Oss heeft horen zeggen dat de personen, die de moord hadden gepleegd, snel gearresteerd zouden worden en dat een nachtwaker, die in relatie stond met de vrouw van de vermoorde, er ook bij betrokken zou zijn. Tevens wordt op die 14e november F. Hoefs, een drogist uit Uden gehoord. Hoefs reed in de nacht van 8 op 9 november 1932, omstreeks 00.15 uur met zijn auto ter hoogte van het gemeentehuis in Berghem toen zijn auto een lekke band kreeg.

Hij had geen sleutel om het wiel er af te halen, daarom ging hij het dorp in om een sleutel te halen en kwam enige tijd later terug met een sleutel die echter niet paste. Zijn zoon, die in de auto zat, heeft toen een fiets bij het in de buurt gelegen café Hartjes en een zaklantaarn van een bij het gemeentehuis staande nachtwacht geleend, om vervolgens naar autogarage Hendriks te Oss te rijden voor een nieuw wiel. Zijn zoon was omstreeks 03.30 uur terug en de nachtwacht stond nog steeds bij het gemeentehuis. Hoefs heeft nog tot ongeveer 04.00 uur moeten wachten op bakker Janssen die toen thuis kwam met zijn auto.

Hij moest van Janssen namelijk een sleutel hebben om de schroeven van het wiel los te draaien, nadat hij zijn auto van een nieuw wiel had voorzien, kon hij zijn reis om 04.15 uur voortzetten! Hij verklaart nog tegen de wachtmeester Ummels van de Koninklijke marechaussee, brigade Uden dat hij bij het passeren van café “Van der Pas”, gelegen aan de Berghemseweg te Oss geen licht heeft zien branden en geen personen heeft gezien.

De rechter-commissaris schrijft op 18 november 1932 naar de burgemeester van Berghem en vraagt hem daarin te onderzoeken wie die nachtwacht geweest kan zijn die in de nacht van 8 op 9 november 1932 bij het gemeentehuis stond. Verder verzoekt hij de naam en het adres van die nachtwacht aan hem te berichten. Op 19 november stuurt de burgemeester al een memorandum waarin hij bericht dat de (particuliere) nachtwacht is genaamd: H.A. Bloem, 42 jaar, touwslager, wonende te Berghem, Heieind, B 231.

In het kader van het gerechtelijk vooronderzoek tegen een “N.N.-dader” (onbekende dader) wordt H.A. Bloem op 28 november 1932 als getuige gehoord door de rechter-commissaris. Bloem verklaart dat hij in de nacht van 8 op 9 november in functie was. Tijdens zijn gewone ronde heeft hij niets bijzonders waargenomen. Wel heeft er enige tijd een auto van een zekere Hoefs uit Uden stil gestaan. Een van de banden van die auto was stuk gegaan. Bakker Janssen kwam die nacht om vier uur thuis, aldus Bloem.

Hij heeft die nacht geen schoten gehoord – plaats waar Bloem zich toen bevond, lag ongeveer 750 meter van de plek waar Jan van der Pas werd doodgeschoten. Over een vermeende relatie tussen hem en Janske van der Pas werden door de rechter-commissaris geen vragen gesteld, in elk geval niet in een proces-verbaal gerelateerd.

Een broer van Janske van der Pas wordt door de marechaussee gehoord en verklaart dat hij in een café heeft gezegd dat hij van anderen gehoord had dat zijn zuster, de weduwe Van der Pas tegen Ceelen gezegd had: “Ceelen, hebt gij het soms gedaan?” Maar wat Ceelen daarop gezegd heeft, weet hij niet. Wel heeft zij gezegd: “Het kan best iemand voor mij gedaan hebben, omdat ik zo’n slecht leven had.” Vervolgens wordt Janske gehoord, zij zegt: “Ik heb tegen Ceelen gezegd dat mensen zeggen dat jij het gedaan hebt, of woorden van die strekking. Maar Ceelen antwoordde dat hij van niets wist.”

Diverse personen die in de nacht van 8 op 9 november langs het café van Van der Pas zijn gereden (per auto of fiets) worden gehoord. De een meent licht te hebben zien branden. De ander is niets opgevallen. Doch geen der getuigen heeft schoten gehoord.

Op een weiland gelegen tussen de plaats waar de vermoorde wordt gevonden en zijn woning ontdekt de Koninklijke Marechaussee voetsporen, die 1.40 meter van elkaar verwijderd zijn en waaruit blijkt dat die afkomstig zijn van iemand die hard gelopen heeft. Ook worden afdrukken van de schoenen van Jan Ceelen genomen. De gemaakte gipsafdrukken van die voetsporen komen niet overeen met de schoenafdrukken van Ceelen.

Door de opperwachtmeester H. Soethout, van de Koninklijke Marechaussee, brigade Oss, worden tussen 16 november 1932 en 22 november 1932 18 getuigen gehoord, wat zij in de herberg van Van der Leest, gelegen aan de Torenstraat hebben gezegd of gehoord over de moord op Jan van der Pas.

Verder verklaart een getuige dat hij van Peter Droomers uit de Spaanderstraat heeft gehoord dat zijn vrouw drie schoten had horen vallen. Ook wordt hoofdagent A. Keultjens gehoord over de aangifte van diefstal van kippen door de vermoorde Van der Pas op 8 november 1932, welke bij hem in de nacht van 1 op 2 oktober 1932 gestolen waren. Hij vermoedde dat die kippen vermoedelijk bij de “Branie” (Gertrude van der Berk, 55 jaar, weduwe van Franciscus de Bie) zaten op de Berghemseweg te Berghem. Verder zou Van der Pas gezegd hebben: “Je weet van mij niets, maar als jullie iets gevonden hebben, roep mij dan maar.”

Er zijn getuigen die hebben horen zeggen dat de rijksveldwachter Parlevliet uit Berghem iets met de moord op Van der Pas te maken zou hebben. Hij zou in de nacht van 8 op 9 november 1932 gezien zijn toen hij het café van Van der Pas verliet. Doch ook dat onderzoek levert geen resultaat op.

Op 25 november 1932 hoort opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee H. Soethout 9 getuigen, onder andere de vrouw van de vermoorde Van der Pas die nu inwoont bij Van Schaijk, bijgenaamd “Harrij de Scheper”, gehuwd met haar zus (bijgenaamd “De Hole”), in de Koornstraat te Oss. Zij verklaart nooit een intieme verhouding te hebben gehad met Ceelen en dat zij ook niet weet dat Ceelen in de tuin van haar café heeft geschoten met een vuurwapen. Verder verklaart zij dat de rijksveldwachter Parlevliet nooit als bezoeker in het café is geweest en in de nacht van 8 op 9 november 1932 ook niet in haar café is geweest.

Tussen 26 november 1932 en 10 december 1932 horen de opperwachtmeester H. Soethout en de wachtmeester Chr. de Gier 19 getuigen, alle getuigenissen en roddels worden aan het papier toevertrouwd. Een getuige meldt dat hij in zijn café een klant had horen zeggen: “Als die van ons maar praten wilde, die moet Ceelen hebben zien lopen om zes uur”. De klant wordt gehoord en zegt tegen voormelde opsporingsambtenaren dat hij heeft verteld dat zijn broer een man heeft zien lopen, terwijl hij bij het lijk van Van der Pas stond. Maar niet dat zijn – broer Ceelen om zes uur had zien lopen.

Hij verklaart vervolgens nog dat Jan de Soep meer van de zaak weet. Zijn broer wordt gehoord en verklaart niets van de moord op Van der Pas te weten. Ook heeft hij Ceelen niet om zes uur in de Spaanderstraat zien lopen. Wel heeft hij een persoon gezien toen hij ongeveer om 11.15 uur bij het lijk van Van der Pas stond te kijken. Ook wordt de landbouwer J.M. Hendriks, bijgenaamd “Jan de Soep”, wonende Spaanderstraat 10 te Oss, gehoord. Hij verklaart op 9 november 1932 te omstreeks 05.30 uur te  zijn opgestaan. Hij weet van de moord niets af en heeft Ceelen die morgen niet in de Spaanderstraat gezien.

Maar de politie gaat door met het verhoor van mogelijke getuigen. Ook de rechtercommissaris roept personen op die misschien (enig) licht kunnen brengen in de moordzaak. Op 16 januari 1933 wordt Jan Ceelen als getuige gehoord door de rechter-commissaris. Hij verklaart op 8 november 1932 te omstreeks 23.00 uur vanaf café Van der Pas naar de woning van zijn ouders te zijn gegaan, welke woning 50 à 60 meter van het café is gelegen. Er heeft nooit een ongeoorloofde verhouding tussen hem en de vrouw van Van der Pas bestaan.

Bij de stukken bevindt zich ook een proces-verbaal van P.H. van Kempen, inspecteur van politie en onbezoldigd rijksveldwachter te Oss, hij relateert daarin de rapportage van H.Th. Feldkamp agent van politie te Oss die tijdens de controle op de plaatselijke hondenbelasting op 28 januari 1933 van Gerardus van der Pas (broer van de vermoorde Jan) te horen kreeg dat Jan van der Pas een paar weken voor zijn dood kwam vertellen dat zijn eenden gestolen waren.

Hij vertelde toen ook dat hij dat een paar dagen daarvoor in zijn café tegen een paar klanten had gezegd en dat Ceelen, die daar toen binnen was, had zitten lachen. Van der Pas had toen tegen Ceelen gezegd: “Weet jij er meer van ?” Ceelen had toen Van der Pas naar buiten geroepen en hem daar een revolver voorgehouden en gevraagd of hij het meende wat hij zojuist in het café had gezegd. Van der Pas had toen gezegd dat dat maar gekheid was, waarop Ceelen de revolver weer bij zich had gestoken. De vrouw van Gerardus van der Pas, Johanna Bloemers bevestigde de verklaring van haar man.

Beweging in de zaak

Na de versterking van de brigade Koninklijke Marechaussee te Oss worden steeds meer misdrijven opgelost en worden veel Ossenaren in voorlopige hechtenis gesteld in het huis van bewaring te ‘s Hertogenbosch. Daardoor wordt het vertrouwen in de politie bij veel Ossenaren groter en zijn ze eerder bereid een verklaring bij de politie af te leggen van wat ze weten of van wat ze gehoord hebben. Zo ook in de zaak van de moord op Jan van der Pas op 9 november 1932.

Op 17 maart 1933 wordt de caféhoudster Mijntje Smit van café Marijnissen, gelegen aan de Tuinstraat, te Tilburg gehoord, door Hendrik Soethout, opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee te Oss en Hendrikus van Kempen, inspecteur van politie te Oss. De weduwe Van der Pas was vanaf januari 1933 tot 4 maart 1933 bij haar in dienst geweest. In die tijd heeft de weduwe Van der Pas tweemaal bezoek gehad van een persoon uit Oss. “Het was een jonge man met een renfiets bij zich”, verklaart Mijntje Smit. “De tweede keer was er ook een marinier bij, waarmee de weduwe Van der Pas enige verkering had. Met die marinier wilde zij graag naar Indië.

Zij vertelde ook dat er een jonge marinier in haar zat en sloeg daarbij op haar buik. Haar trouwring heeft zij ook aan die marinier gegeven. Als zij (te) veel gedronken had, vertelde zij steeds iets over haar man. Zij heeft verteld dat haar man kapot geschoten was en dat mijn man ook kapot geschoten moest worden, dan konden wij samen gaan wonen. Zij vertelde mij toen ook dat zij een slecht leven bij haar man had gehad en dat ze veel “slaag” had gekregen. Op 4 maart 1933 is zij vertrokken en ik vermoed, dat zij geen rust meer had bij mij en bang was dat ze iets te veel gezegd had toen ze gedronken had.”

Ook wordt Wilhelmina Klös, oud 25 jaar, van beroep dienstbode gehoord en zij verklaart: “Ik ben in dienstbetrekking geweest bij café Marijnissen te Tilburg, waar ook de weduwe Van der Pas werkzaam was. Wij moesten dienst doen in het café en met de bezoekers mee drinken. Twee maal is er een wielrenner bij haar op visite geweest. Tijdens dat laatste bezoek was er ook een marinier in het café waar de weduwe Van der Pas kennis mee had. Zij had zin in die marinier en zij vertelde mij dat zij moest bevallen van hem. Over de moord op haar man heeft zij mij nooit verteld. Toen zij een keer naar de rechter-commissaris in ‘s Hertogenbosch moest zei zij: misschien word ik wel vast gehouden.”

Vervolgens wordt de weduwe Van der Pas (Janske van Uden) door de opperwachtmeester Soethout en inspecteur van Kempen gehoord. Zij is inmiddels als dienstbode werkzaam bij De Weijer te Udenhout. Zij verklaart: “Ik ben in betrekking geweest in café Marijnissen en werkte daar als lokvogel. Johannes Ceelen heeft mij daar tweemaal bezocht. Eenmaal heb ik hem geschreven aan zijn adres te Montfoort, waar hij in de kost was. Ik had in die tijd kennis gekregen met een marinier. Ik heb mij door die marinier laten gebruiken om met hem een eigen huishouden te kunnen stichten, daar ik toch niets aan mijn leven heb.

De trouwring van mijn man heb ik aan die marinier gegeven als onderpand van mijn trouw. De verkering is nu echter uit. Ik wilde niet met die marinier naar Indië, omdat de grond onder mijn voeten mij te warm werd in verband met de moord op mijn man. Die marinier heet Frans Souwen en is in Rotterdam in dienst. Op 4 maart 1933 ben ik weggelopen omdat ik direct in betrekking kon komen bij De Weijer. Ik kan Ceelen niet verdenken dat hij de hand heeft gehad in de moord op mijn man. Waarom hij mij te Tilburg op kwam zoeken weet ik niet.”

Tenslotte wordt ook Jan Ceelen als getuige gehoord: “Ik heb gewerkt te Montfoort in de wegenbouw. Thans ben ik weer thuis. De laatste keer dat ik in Tilburg ben geweest, is twee jaar geleden. Ik heb de weduwe Van der Pas niet opgezocht in Tilburg. Ik ben aan niemand verantwoording schuldig voor mijn doen en laten. Mijn gangen behoeven niet nagegaan te worden.”

Op 13 juli 1933 verklaart herbergier J. van der Elzen (60 jaar) wonende te Oss, Heschpas 14, dat Cornelis van Baardwijk tegen hem gezegd heeft dat hij weet wie Van der Pas doodgeschoten heeft. Het zou zijn gebeurd met een van de revolvers die waren gestolen bij een inbraak op de griffie van het kantongerecht te Oss.

Die revolver had Van Baardwijk verkocht aan de persoon die Van der Pas doodgeschoten heeft. Volgens opperwachtmeester Soethout zou Van Baardwijk hebben verklaard dat een van de revolvers verkocht was aan Johannes Leonardus Petrus van der Venne voor ƒ 4,–. Van der Venne, oud 22 jaar, van beroep keienlegger, is bevriend met Jan Ceelen, welke beiden op 9 november 1932 in arrest zijn gesteld in verband met de moord, doch wegens gebrek aan bewijs na verhoor door de rechtercommissaris in vrijheid zijn gesteld (Van der Venne was ook in het café van Van der Pas de nacht van 8 op 9 november 1932). Van Baardwijk is voor voormelde diefstal op 30 december 1932 ingesloten in het huis van bewaring te ‘s Hertogenbosch en zit thans zijn straf daarvoor uit in de strafgevangenis te Amsterdam.

De opperwachtmeester Soethout zendt het voormelde proces-verbaal van verhoor naar de officier van justitie met een begeleidend schrijven, waarin hij relateert dat Van Baardwijk een zeer onverschillig persoon is, die vermoedelijk niets zal zeggen en daarom voorzichtig aangepakt moet worden bij zijn verhoor. Als Van Baardwijk door Soethout wordt gehoord in de strafgevangenis te Amsterdam ontkent hij ooit gezegd te hebben dat hij wist, wie Van der Pas doodgeschoten heeft en als hij het zou weten dan zou hij dat toch niet zeggen.

Hij beklaagt zich over de slechte behandeling bij de gemeentepolitie te Oss toen hij aangehouden was voor voormelde inbraak. Verder beklaagt hij zich over het feit dat hij 22 maanden kreeg voor die inbraak, terwijl Ulijn, die meegeholpen had bij die inbraak maar tot 8 maanden werd veroordeeld. Dit zou de schuld zijn geweest van de politie. Bij de rechter-commissaris verklaart hij: “Ik kan u niets mededelen wat van belang kan zijn voor de opsporing van de dader van de doodslag op Van der Pas.”

Op 19 november 1934 (ruim twee jaar na de moord) verklaart Johannes Verhoeven, bijgenaamd “Jan Bol”, 39 jaar, van beroep agent Amstelbrouwerij tegenover opperwachtmeester Roelof Mintjens en wachtmeester Christiaan de Gier: “Kort voordat de caféhouder Jan van der Pas, werd vermoord, was hij bij mij in de bottelarij werkzaam. Toen ik achter mijn woning met mijn pistool aan het schieten was, zei Van der Pas het volgende:

“De Ceel (bedoeld wordt Johannes Petrus Ceelen) heeft een mooie revolver, namelijk een vernikkelde met zo’n rondje erin’ (Hiermede bedoelde hij een cilinderrevolver).” Verbalisanten relateren in dat procesverbaal dat bij deskundig onderzoek is vastgesteld dat Van der Pas is doodgeschoten met een vuurwapen, voorzien van loden kogels. Deze kogels zijn afkomstig van een cilinderrevolver. Ceelen zit inmiddels gedetineerd in de strafgevangenis te Roermond, verdacht van het plegen van een roofoverval op Geven, te Deurne…..!

Het net sluit zich

Beetje bij beetje sprokkelt de politie het bewijs bij elkaar in de zaak van de moord op Jan van der Pas op 9 november 1932 te Berghem. Alhoewel er hard gewerkt wordt aan de oplossing van honderden, veelal zware, andere misdrijven, sluit het net zich steeds dichter om de vermoedelijke dader, Jan Ceelen.

Op 27 november 1934 verklaren Petrus L. van Bergen (bijgenaamd Piet Snot), Johannes C. van Gerwen en Gerardus M. Zwiers dat ze in de vroege morgen van de negende november 1932 te omstreeks 05.30 uur in het veld, genaamd “de Berghemsche Gement” waren om merels te vangen. Ze ontdekten daar verse voetsporen van twee personen. Zij vreesden dat die voetsporen van poetsen [veldwachters] waren, verborgen hun (stalt-)netten en liepen in tegenovergestelde richting van die voetsporen weg over een pad tussen de Spaanderstraat en de Gement. Langs dat pad was een weiland waarin een paard liep dat zeer onrustig was, het hinnikte en blies door zijn neusgaten. Het paard sloeg verschillende malen achteruit, hoewel er niemand aanwezig was.

Van Bergen gooide een kluitje aarde naar dat paard, waarop het paard over de omheining sprong naar een naastliggend weiland (Het lichaam van Van der Pas werd omstreeks 11.30 uur in het weiland gevonden). Zij zagen toen op een afstand van ongeveer 100 meter een onbekende man staan, ± 1.75 à 1.80 meter lang, blozende gelaatskleur, gekleed in een lichtbruine Manchester jas en een lichte pet op z’n hoofd. “Op het eerste moment dacht ik dat het Parlevliet kon zijn, doch later niet meer,” aldus getuige Zwiers.

“Ik ken Jan Ceelen – de wielrenner – goed. Ik kan niet zeggen of hij ‘t was, doch hij geleek wel op hem. Hij liep vervolgens op een afstand van ± 150 meter parallel met onze looprichting. Toen we in zijn richting keken verschool hij zich tussen het struikgewas. Wij zijn toen noordwaarts gelopen en hebben de man niet meer gezien. Op de Geer troffen wij een jager en deze vroeg ons enige percelen af te drijven, dat hebben wij toen gedaan en daarna zijn we naar huis gegaan.”

Op 25 november 1932 was Zwiers ook al door de politie gehoord, doch toen had hij enkel verklaard dat hij met Van Bergen op 9 november 1932 te omstreeks 08.30 uur aan het wandelen was, tot ze jager Den Brok uit Berghem zagen voor wie ze enkele percelen jachtgrond hadden afgedreven en vervolgens naar huis waren gegaan.

De wachtmeesters Curfs en De Gier merken in het proces-verbaal op dat Johannes Petrus Ceelen in die tijd steeds gekleed was met een Manchester jas en een lichte pet droeg. Als toelichting verklaren beide wachtmeesters dat getuigen niet eerder naar waarheid durfden te verklaren, omdat zij vreesden bestraft te worden omdat ze zich met staltnetten in het veld bevonden.

“Ook thans nog krijgen wij de indruk dat getuigen niet de hele waarheid spreken. Immers zij, als zijnde veldstropers, kennen alle mensen uit de omgeving en zeker kennen zij de rijksveldwachter Parlevliet. De verdachte J. Ceelen en Parlevliet bezitten wel enige gelijkenis in grootte en kleur van het gezicht. Het staat evenwel vast dat het Parlevliet niet geweest kan zijn, reden waarom wij met grond menen te moeten aannemen, dat ‘t inderdaad de verdachte Ceelen geweest is”, aldus verbalisanten.

Op 3 december 1934 verklaart Catharina Johanna van der Pas (zus van de vermoorde Jan van der Pas) dat haar broer ongeveer veertien dagen voordat hij werd vermoord haar bezocht. Hij begon toen te huilen, maar wilde niet vertellen waarom. Hij zei wel “Ceelen is een lelijkerd, potverdomme hij is zo’n lelijkerd”.

“Ofschoon onze Jan een vriend was van Ceelen, was hij toen bang voor deze persoon. Ceelen leefde zeer intiem met zijn vrouw,” zegt Catharina. Ook horen de wachtmeesters op 3 december 1934 “naar aanleiding van lopende geruchten” nogmaals Janske Geurts, in november 1932 de dienstmeid van Jan van der Pas en zijn vrouw.

Zij verklaart: “Johannes Petrus Ceelen, een buurjongen van Van der Pas, kwam daar dagelijks over de vloer. Zowel Jan als zijn vrouw riepen hem binnen, alwaar hij dan allerlei huiswerk deed voor vrouw Van der Pas. Ik heb weleens gehoord dat Ceelen Van der Pas vermaande dat hij zijn vrouw niet moest slaan, waarop Van der Pas dan antwoordde: “Daar hebt gij niets mede te maken, ik doe wat ik wil.” Ceelen antwoordde daarop meestal niet.

Tussen Ceelen en vrouw Van der Pas bestond een intieme verhouding. Vrouw Van der Pas vroeg Ceelen om haar te beschermen als haar man haar trachtte te slaan, waaraan Ceelen dan ook gevolg gaf. Nadat haar man vermoord was zei vrouw Van der Pas meermalen: “Ik wou dat onze Jan maar weer terug was, want zo is het toch ook niets.” Ik heb ook wel ‘ns gezien dat Ceelen met Van der Pas en een zekere Van den Berg aan het oefenen waren met schieten achter de woning van buurman Van Erp. Waarmede en met welk vuurwapen er toen geschoten werd weet ik niet.”

Op 15 december 1934 bezoeken de burgemeester van Oss en de inspecteur van politie, P.H. van Kempen in de strafgevangenis te Breda de gedetineerde Petrus Hendrikus van Rooij, geboren te Berghem op 27 oktober 1904. Van Rooij had te kennen gegeven dat hij belangrijke informatie had met betrekking tot de moord op Jan van der Pas. Door Frans de Reuver en Harrie Keereweer zou hem op de Berghemsche kermis zijn medegedeeld dat ook Piet de Bie betrokken is bij de moord op Van der Pas. Hij zei: ” Gerrit de Bie en Piet de Bie waren die avond ook in het café van Van der Pas. Gerrit de Bie ging na sluitingstijd naar huis. Jan Ceelen, de wielrenner, Jan van der Venne en Piet de Bie zijn samen met Jan van der Pas zijn gestolen eenden gaan zoeken.

Daarop zou twist zijn ontstaan nabij de “Poel” in de nabijheid van de woning van Van der Pas en is Van der Pas dood geschoten door de wielrenner Ceelen. Een paar dagen na de moord zag ik Ceelen en Van der Pas aan het buffet van café Van Ederen. Van der Venne sprak toen met Ceelen over Gerrit de Bie. Van der Venne zei zenuwachtig tegen Ceelen: “Maar Gerrit de Bie” waarop Ceelen zei: “Nou dat geloof ik niet.” Ik maakte daaruit op dat Gerrit de Bie iets van de moord had gezien. Meer kan ik niet verklaren.”

De wachtmeesters Curfs en De Gier horen op 24 december 1934 Keereweer en De Reuver, doch beiden ontkennen ooit tegen iemand gezegd te hebben wie de moordenaar van Jan van der Pas zou zijn geweest. Verbalisanten voegen nog aan het proces-verbaal toe dat de verklaring van Petrus van Rooij niet voor 100% mag worden aangenomen, daar hij, sinds hij voor doodslag in de gevangenis zit, van alles vertelt wat ofwel gelogen is ofwel niet meer te controleren valt.

In Rotterdam wordt de (oud) marinier Franciscus Jacobus Souwen (thans 22 jaar) opgespoord en op 8 maart 1935 door de opperwachtmeester Roelof Mintjes en de wachtmeester Christiaan de Gier gehoord. Hij verklaart dat hij als marinier met verlof van half januari tot begin maart 1933 bij zijn ouders in Tilburg verbleef en in die tijd regelmatig café Marijnissen bezocht.

Hij kreeg daar kennis aan een meisje dat daar als lokvogel dienst deed. Later bleek dat meisje, naar zij hem mededeelde, de weduwe van Van der Pas uit Oss te zijn. Zij had hem verteld dat haar man was doodgeschoten, dat zij een slecht leven bij haar man had en veel klappen van hem kreeg.

Zij had hem een ring gegeven waarin stond gegraveerd: Jo van Uden – J. v.d. Pas, maar die ring was hij in Indië bij het zwemmen verloren. Hij had met deze vrouw meermalen vleselijke gemeenschap gehad. Hij was begin maart naar Rotterdam vertrokken en had haar medegedeeld dat, indien zij zin had, met hem mee kon gaan. Doch zij had hierop niet gereageerd, ook niet op een later schrijven van hem. Tijdens een van zijn bezoeken aan café Marijnissen kreeg zij bezoek van een persoon, welke zij voorstelde als een vriend van haar, flink postuur, ongeveer 20 jaar oud. Hij miste een vinger – opzettelijk afgekapt om in aanmerking te komen voor de ongevallenuitkering, waarvoor hij gratis was verzekerd als abonnementhouder van onder andere het weekblad Het Leven en van het Stuiverblad. Meer kan Souwen zich niet meer herinneren na zo’n lange tijd.

Op 14 maart 1935 wordt Mijntje Smit, caféhoudster van café Marijnissen nogmaals gehoord door de politie. De wachtmeesters De Gier en Effting nemen de volgende verklaring op in hun proces-verbaal: “Toen de weduwe Van der Pas half januari 1933 bij mij in dienst trad, was zij gekleed in rouwkostuum. Toen zij ongeveer een week bij mij in betrekking was, kocht zij een baljurk en ging daarin gekleed met een jongen naar een bal. Zij was zeer wispelturig in haar doen en laten. Zo zat zij het ene ogenblik te lezen, het andere ogenblik begon ze te huilen, om dan plotseling weer uitbundig vrolijk te worden. Ik kreeg dan ook de indruk dat zij niet rustig was zoals een ander mens en veel te verbergen had. Toen ze ‘n keer dronken was, zei de weduwe Van der Pas het navolgende: “Hij (hiermede bedoelde zij haar man Jan van der Pas) had maar beter voor mij moeten zijn, dan had het zover nooit gekomen.” Kort hierna vertrok de weduwe Van der Pas, zonder voorafgaande kennisgeving en zonder achterlating van een adres. Ik vermoed dat zij hiervoor een bijzondere reden had, namelijk dat zij bang was dat ik teveel tegen de politie zou vertellen over haar uitlatingen.” Reden genoeg voor de politie om de weduwe Janske van Uden nogmaals te horen.

De weduwe legt verklaringen af

Naar aanleiding van aanwijzingen, verkregen uit onderzoek door de Koninklijke Marechaussee, wordt Johanna Helena van Uden, weduwe van de vermoorde Jan van der Pas, dan gehuwd met Wilhelmus van Gestel en wonende te Udenhout, Wachtpost 9, in overleg met de officier van justitie bij de arrondissementsrechtbank te ‘s Hertogenbosch, op 27 maart 1935 -± 22.00 uur- te Udenhout, als verdacht van medeplichtigheid inzake de moord op Jan van der Pas aangehouden en overgebracht naar de kazerne van de Koninklijke Marechaussee te Oss. Johanna van Uden (Janske van der Pas) wordt door de wachtmeester Christiaan de Gier en Aart van der Weert, wachtmeester titulair gehoord. Zij verklaart het volgende:

“In aansluiting van mijn vroegere afgelegde verklaringen inzake de moord op mijn eerste man, Jan van der Pas, ben ik thans besloten het vreselijke geheim dat ik steeds nadien als een zware steen op mijn hart droeg en dat mij nimmer met rust liet, te openbaren. Ik heb dat geheim nimmer durven te vertellen, omdat ik vreselijk bang was van Johannes Petrus Ceelen, met wie ik bij het leven van mijn eerste man (Van der Pas), intieme verhoudingen had aangeknoopt.

Dit laatste durf ik niet te verklaren voor de Rechtbank in het openbaar uit schaamte voor het publiek en voor mijn tweede man, Van Gestel. Mijn eerste man (Van der Pas) en ik hadden dikwijls onenigheid. De oorzaak daarvan was, dat hij zich veelvuldig bedronk. Wanneer hij dronken thuiskwam, begon hij mij uit te schelden, waarbij hij mij dan sloeg en schopte. Zulks deed hij reeds toen ik nog verkering had met hem, bij een gelegenheid dat hij dronken was. De oorzaak daarvan was dat ik ‘s avonds om 10 uur in betrekking moest  zijn. Door het vele uitgaan en drinken dat hij (mijn man) deed, werden wij gaandeweg armer.

Wij hadden een café gehuurd op de Berghemscheweg van de Amstelbrouwerij door tussenkomst van de agent, Johannes Verhoeven bijgenaamd Jan Bol. Dit had nooit moeten gebeuren, want dit café is mijn ongeluk geworden. In het begin ging alles goed, mijn man was in dienst van Jan Bol voornoemd, en ik beheerde het café. Omdat mijn man de gehele dag van huis was, riep hij meermalen een buurjongen van ons, Johannes Petrus Ceelen bijgenaamd “De Ceel”, binnen en vroeg dan aan hem of hij (Ceelen) mij wilde helpen in het café en met andere werkzaamheden. Zo kwam het dat Ceelen zo goed als elke dag tot laat in de avond bij ons over de vloer kwam. Ceelen veroorloofde zich op den duur vrijheden met mij, waaraan ik mij niet meer kon ontrekken. Wij leefden in het geheim als man en vrouw. Zulks bracht het slechte huwelijksleven tussen mij en mijn man ook mede. Ceelen was er meermalen getuige van dat ik klappen kreeg van mijn man. Hij (Ceelen) was daarover zeer verontwaardigd. Het is ook voorgevallen dat een broer van Ceelen, genaamd Frans, mij te hulp snelde toen mijn man mij mishandelde. Ceelen, en ook andere jongens hebben meermalen gezegd: “wat is Jan toch een rotzak, dat hij u zo slaat.”

Omdat mijn man zo slecht voor zijn zaak was en als hij dronken was de bezoekers maar tracteerde op bier, gingen de zaken snel achteruit. De nette bezoekers bleven weg en op den duur bestond het cafébezoek enkel uit minderwaardige mensen, welke bijna niets verteerden. Op een zekere dag kreeg mijn man van Jan Bol zijn ontslag. Hierover was mijn man zeer verontwaardigd en was vanaf die tijd Jan Bol vijandig gezind. Op een keer, kort voor zijn dood, kwamen wij ‘s avonds zonder bier te zitten. Nadat ik bier bij Jan Bol had laten bestellen, bracht hij met zijn auto een vat bier. Mijn man was thuis. Terwijl Jan Bol het vat bier in het café rolde, sprong mijn man op Jan Bol toe en wilde hem slaan. Jan Bol vluchtte daarop in de cabine van zijn auto, achtervolgd door mijn man. In de cabine kreeg Jan Bol toen klappen van mijn man.

Ik viel hierbij in zwijm. Omstanders hebben daarna mijn man gekalmeerd en mij naar binnengedragen. Het is meermalen voorgevallen dat mijn man met Jan Bol slaande ruzie had. Wanneer er heftige ruzie was tussen mij en mijn man, heb ik meermalen in mijn drift uitgelaten: “ik zou willen dat je kapot was.” Dezelfde woorden bezigde dan mijn man eveneens.

Zoals ik reeds verklaard heb, vertoefde in de avond van 8 november 1932, toen mijn man jarig was, in mijn café, J.P. Ceelen, mijn man en H. van der Venne. Tegen het sluitingsuur (23.00 uur), vertrokken Ceelen en Van der Venne. Ik lag, zoals ik reeds eerder verklaarde op mijn bed en voelde mij niet lekker. Even later, terwijl hij het café had gesloten, kwam mijn man op de rand van mijn bed zitten. Ik vroeg toen aan hem, hoe laat of het was. Hij antwoordde: “Het is elf uur.” Hij zei: “nu weet ik waar mijn gestolen eenden zitten, daar zal ik eens gaan kijken.”

Dat had hij trouwens al meermalen gezegd. Vervolgens zei hij: “raad eens waar ik dadelijk met Ceelen naar toe ga?” Toen ik hem vragend aankeek, vervolgde hij: “ik ga direct met Ceelen mee, want die weet ƒ 1.500,– te zitten en dat weet hij (Ceelen) van zijn meid, die bij een boer werkt. Dat geld zit in een brandkast en die kan Ceelen alleen niet dragen en dan breekt Ceelen de brandkast open, waarna ik er de helft van krijg.” Hij (Van der Pas) vroeg aan mij: “Jans, zal ik het doen”, waarop ik antwoordde: “doe het maar niet, want als je de kast in moet dan is het nog erger.” Hij stond toen in twijfel. Daarna stelde hij zich weer gerust en zei: “als we ƒ 750,– hadden dan waren wij toch weer gered.” Terwijl ik hem zulks afraadde, trok hij zijn bruine overjas aan, zette zijn lichte pet op zijn hoofd en verliet de woning nadat hij mij een zoen had gegeven. Het was toen ruim na elf uur (23.00 uur). Toen kreeg ik spijt dat ik hem niet was nagelopen, want ik was erg ongerust. Ik viel tenslotte in slaap en schrok ’s nachts wakker.

Ik weet niet hoe laat het was, doch het kan wel vier uur in de morgen zijn geweest. Ik werd bang omdat mijn man nog niet thuis was. Ik ben toen opgestaan en op straat gaan kijken, maar het was donker en het regende en ik zag of hoorde niets. Ik ben toen weer naar bed gegaan, doch ik kon niet meer slapen. Tegen zes uur stond ik op en omdat ik ongerust was over het weg blijven van mijn man, liep ik naar mijn buurvrouw, vrouw Van Erp. Ik heb haar gezegd dat mijn man nog niet thuis was gekomen. Ik dacht dat hij met Ceelen gearresteerd was.

Hierna heb ik het café schoongemaakt, waarna ik naar de woning van mijn dienstmeisje, Jans Geurts ben gegaan. Zoals ik reeds eerder verklaarde, heb ik Jans Geurts overal laten informeren naar mijn man. Daarna voelde ik mij niet erg lekker, ook al omdat ik zo zenuwachtig was en ben ik naar bed gegaan. Jans Geurts riep op een gegeven moment: “daar loopt Jan Ceelen.”

Ik zei: “roep hem eens binnen.” Ceelen kwam toen direct naar binnen. Ik zei toen tegen hem: “onze Jan (hiermede bedoelend mijn man), is nog niet thuis.” Ik heb hem toen gevraagd of hij bij de politie wilde informeren. Toen Ceelen daarop wegliep, riep ik hem na: “och, ik weet het wel, want gij bent gisteravond met hem (mijn man) meegegaan om te gaan stelen.” Ceelen, antwoordde, terwijl hij wegliep en er blijkbaar van schrok: “praat er niet over en houd stil.”

Hij maakte daarbij een beweging met zijn hand daarmede krachtiger beduidend dat ik mijn mond moest houden. Dit was op 9 november 1932, te omstreeks half elf in de voormiddag. ‘s Avonds ben ik uit het café vertrokken en heb mijn intrek genomen bij mijn zuster, Maria van Uden. Toen Ceelen na een paar dagen naar Montfoort vertrok om daar te gaan werken, bezocht hij mij in de woning van mijn zuster voornoemd. Hij kwam afscheid nemen, maar niemand van de huisgenoten praatte tegen hem. Een keer daarvoor trof ik Ceelen bij een buurman van mijn zuster voornoemd. Ik vroeg toen aan hem (Ceelen): “heb jij soms mijn man vermoord?”, waarop Ceelen lachend antwoordde: “ja, ikke wel”, of woorden van gelijke strekking.

Toen ik te Tilburg in betrekking was, heeft Ceelen mij een keer bezocht. Hij sprak dan nergens over en ik durfde er niet over te praten, ofschoon ik het meermalen van plan was. Tweemaal heeft Ceelen mij met zijn racefiets opgezocht te Udenhout. Hij vroeg dan of ik vrij was, maar ik wilde niets meer met hem te doen hebben, want ik walgde van hem, omdat ik in de vaste overtuiging verkeerde dat hij mijn man had vermoord. Daarna heeft Ceelen mij niet meer bezocht.

Het is niet waar dat ik tegen Wilhelmina Klös (dienstbode café Marijnissen) de uitlatingen heb gedaan, als door haar aan u verklaard. Ik ontken zulks ten stelligste. Wel heb ik enkele malen gesproken dat ik een slecht leven had bij mijn man. Ook tegen Mijntje Smit heb ik wel eens verteld dat ik een slecht leven had bij mijn man, van andere uitlatingen ben ik mij niet bewust. Wel heb ik steeds gedacht dat Jan Bol Ceelen omgekocht kan hebben om mijn man voor een zeker geldbedrag op te ruimen. Er moet zo iets tussen zitten, omdat Jan Bol zo vreselijk bang was voor mijn man. Toen ik daags na de moord op mijn man op bezoek was bij Marie de Koning in gezelschap van mijn moeder, kwam Jan Bol binnen. Hij (Jan Bol), zei toen: “Jans, treur er maar niet over, want je bent goed af” en naar ik meen zei hij of liet er achter volgen: “en ik erbij.”

Nadat Janske van Uden op 26 maart 1935 te 13.00 uur in verzekering was gesteld, werd zij die dag te 22.00 uur, na het afleggen van voormelde verklaring, in vrijheid gesteld.

In voorlopige hechtenis

 

“Ze dachten dat ik voor de rechtbank stond te huilen, maar ik dacht, val allemaal maar kapot, want ik hang nog niet en ik kwam er lekker uit.”, vertelde Ceelen trots in zijn kring toen hij na een half jaar voorarrest weer terugkwam in Oss nadat hij door de rechtbank te Roermond was vrijgesproken van een gewelddadige roofoverval op een 76-jarige man te Deurne. Het slachtoffer werd aan handen en voeten gebonden en bedreigd met geweld. Tenslotte wees hij de plaats aan waar hij zijn geld had liggen, (een bedrag van fl. 35,–) onder zijn hoofdkussen.

Op 27 maart 1935 wordt Johannes Petrus Ceelen (weer) aangehouden, op verdenking de moord op Jan van der Pas in de nacht van 8 op 9 november 1932 te hebben gepleegd. Hij ontkent die moord te hebben gepleegd. Hij ontkent met de vrouw van Van der Pas te hebben geleefd als man en vrouw. Hij ontkent haar opgezocht te hebben in Tilburg. Hij zag haar daar wel (toevallig) in een café waar zij in dienstbetrekking was. Hij heeft haar ook nooit in Udenhout bezocht. “Ik weet van niets en ik zal het verder wel in Den Bosch vertellen. Breng mij maar vlug naar Den Bosch, dan zal het wel anders uitkomen.”

Ceelen wordt op 28 maart 1935 in verzekering gesteld voor 2 dagen. De officier van justitie verlengt de inverzekeringstelling op 30 maart 1935 voor ten hoogste 2 dagen. In het dossier van Ceelen werd een proces-verbaal gevoegd gedateerd 31 maart 1935 door de wachtmeesters der Koninklijke marechaussee Chr. de Gier en A. van der Weerd:

“Constaterende de ons bekend geworden feiten en omstandigheden over de sluwe wijze waarop J.P. Ceelen zijn misdaden beging: “De navolgende feiten en omstandigheden zijn ons bekend geworden: Johannes Petrus Ceelen, bijgenaamd “De Ceel”, was eertijds te Oss de favoriet als wielrenner. Als populaire renner bewoog hij zich ook veelvuldig onder het gegoede publiek en kwam daar meermalen in huis. Maar Ceelen wist zijn maatregelen te nemen. Hij berekende zijn misdadige plannen nauwkeurig en maakte in het geheim afspraken met zijn minne vrienden (inbrekers) om elkander dan ergens achteraf in een korenveld of heide te treffen.

Aldaar werden dan de inbraakplannen gesmeed. Hij (Ceelen) begaf zich voor het wakend oog zijner ouders op de gewone tijd naar bed. Dit bed bevindt zich op een zolder, staande in het zogenaamde achterhuis. Nadien, als alles sliep, sloop Ceelen dan door een raam naar buiten en begaf zich naar de plaats van samenkomst. Vroeg in de morgen arriveerde Ceelen dan weer op vorenbedoelde wijze in zijn bed alwaar hij door zijn ouders slapend werd aangetroffen.

Op deze manier heeft Ceelen de roofoverval te Mariaheide, gezamenlijk met, Antonius Hendriks, bijgenaamd “Toon de Soep”; Peer de Bie; Lambertus Vos, bijgenaamd “Bijs de Sijp” en Van den Heuvel, bijgenaamd “Leonard den Brus”, gepleegd. Eveneens heeft Ceelen, gezamenlijk met H. van der Putten, bijgenaamd “De Rut”; Piet de Bie en Toon de Soep de roofoverval bij Bouwman te Uden gepleegd. Ceelen was het die de oude man mishandelde en pijnigde. Zulks deed hij in vereniging met Piet de Bie. Hij (Ceelen) wist hierbij zo vlug te handelen dat zijn confraters er verwonderd over waren.

Ceelen was het die met zijn confraters ongeveer acht dagen voor laatstgenoemde roofoverval op een andere plaats te Uden probeerde in te breken. Omdat zulks niet goed lukte, daar er te veel mensen in huis waren, stak hij kortbij een huis in brand. Daarna ging hij naar de plaats waar hij zijn slag dacht te slaan en riep luid: “brand, brand.” Dan liepen de mensen verward naar buiten en kon hij gerust zijn daad plegen. Te Oss brandden er in het jaar 1934 twee boerderijen af. Dit had Ceelen met Toon de Soep gedaan om elders als het brandde, te gaan stelen. Het betrof hier een diefstal bij Vos aan het Teugenaarspad te Oss. Te voren had Ceelen alles in gereedheid gebracht om deze diefstal gemakkelijk te maken.

Nadat hij (Ceelen) in vereniging met Piet de Bie de roofoverval te Deurne had gepleegd, heeft hij daags daarop in een korenveld, gezamenlijk met Van der Putten en De Soep, de schamele buit gedeeld en tevens een plan gesmeed om bij notaris Bijvoet te Berghem met acht personen een overval te plegen. Ceelen staat bij de politie in de omtrek als zeer gevaarlijk bekend.

Hij treed zeer brutaal op en jouwt de politie uit. Wanneer hij zich gevangen ziet, zodat hij niet meer kan winnen, tracht hij zich door huilbuien vrij te pleiten. Ook wijst hij dan op zijn godsdienstige leven. In werkelijkheid ging hij echter nimmer naar de kerk. Dit is de sluwe tactiek van Ceelen. Bij zijn arrestatie op 27 maart 1935, werd hij aangetroffen in het café Thalen alhier. Aldaar is een jeugdig dienstmeisje in betrekking. Ceelen was weer bezig op zijn bekende wijze dit meisje voor zich te winnen. Hij begint dan allerlei huishoudelijke bezigheden te verrichten en loopt met de schort voor. Deze feiten en omstandigheden berusten absoluut op de volle waarheid.”

Tijdens zijn verblijf in de cel bij de marechausseekazerne te Oss maakte de marechaussee gebruik van een opsporingsmethode die thans als ongeoorloofd zou worden aangemerkt. Naast zijn cel wordt een bekende van hem geplaatst die een gesprek met hem aanknoopt, terwijl de marechaussee dat gesprek heeft geregisseerd en afluistert.

Op 1 april 1935 wordt Ceelen door de rechter-commissaris, bijgestaan door W. van Winkel, beëdigd klerk ter griffie, vervangende de griffier bij de rechtbank, op de vordering bevel bewaring van de officier van justitie gehoord. Ceelen, thans 22 jaar oud ontkent het hem ten laste gelegde. Hij wordt in voorlopige hechtenis gesteld. Op 5 april 1935 wordt C. Ulijn (bijgenaamd “Trien de Snol”) echtgenote van Franciscus Ceelen (niet in bloed- of verwantschap staande met de verdachte J.P. Ceelen) gehoord door de rechter-commissaris.

Zij verklaart: “Piet de Bie heeft mij verteld dat hij zijn neef Gerrit had afgemaakt. Ook heeft hij mij verteld dat Ceelen Van der Pas heeft doodgeschoten. Ceelen zou dan zoals De Bie vertelde eerst in het café van Van der Pas geweest zijn, vóór 11 uur (23.00 uur) thuis zijn gekomen, even op bed hebben gelegen en toen zonder dat zijn ouders het merkten, weer naar buiten zijn gegaan. Daarna is hij samen met Van der Pas, die al buiten stond te wachten op weg gegaan.

Wat ze verder gedaan hebben weet ik niet. Wel heeft Piet de Bie mij nog verteld dat Ceelen Van der Pas met zijn revolver had doodgeschoten. Het gebeurde daarna weleens dat wanneer Piet de Bie met Ceelen en Van der Putten uit ging en aan mij een pistool te leen vroeg, ik dit gaf. Dat pistool was eigenlijk van Gerrit de Bie en was bij ons blijven liggen, nadat hij gedood was. Maar een keer vroeg ik aan De Bie “Heeft Ceelen dan geen revolver?” De Bie antwoordde toen dat Ceelen er geen meer had sinds hij Van der Pas had doodgeschoten. Ik heb dit niet eerder durven te verklaren daar de oude De Bie mij voortdurend het zwijgen oplegde.”

Ceelen bekent

J.P. Ceelen die sinds 27 maart 1935 van zijn vrijheid is beroofd en in voorlopige hechtenis zit in het Huis van Bewaring te ’s-Hertogenbosch, wordt op 26 mei 1935 nogmaals gehoord op het brigadebureau van de Koninklijke Marechaussee te Oss door de wachtmeesters der Koninklijke Marechaussee Christiaan de Gier en Aart van der Weerd. Hij verklaart dan het volgende:

“In aansluiting op mijn vroegere afgelegde verklaringen inzake het doodschieten van de caféhouder Jan van der Pas, heb ik thans besloten het vreselijke geheim dat ik steeds nadien als een zware steen op mijn hart droeg en mij nimmer met rust liet, te openbaren. Het is inderdaad waar dat ik Jan van der Pas, in de nacht van 8 op 9 november 1932, ter plaatse waar men hem gevonden heeft, heb doodgeschoten. Toen Jan van der Pas zich bij ons in de buurt kwam vestigen als caféhouder, knoopte ik vriendschap met hem aan. Jan van der Pas was kort geleden getrouwd. Het duurde dan ook niet lang of Van der Pas riep mij bij elke gelegenheid binnen om voor hem of zijn vrouw huiselijke arbeid te verrichten. Van der Pas was in dienst van de Amstelbrouwerij en was zodoende veelvuldig afwezig.

Zo kwam het op den duur dat ik zo goed als elke dag tot laat in de avond bij Van der Pas over de vloer kwam. Ik werd op den duur erg vrij en werd door Van der Pas en zijn vrouw overladen met lekkernij, iets wat ik mij bij mijn ouders niet kon veroorloven. Vooral vrouw Van der Pas (Jans van Uden) wist niet wat zij mij moest doen om mij op den duur tot zich te trekken en overlaadde mij in het geheim met geld en eetwaren. Zo was ik meermalen getuige van de onenigheid die er heerste tussen man en vrouw. Ik heb meermalen gezien dat Van der Pas wanneer hij dronken thuis kwam zijn vrouw ruw aanpakte en haar sloeg en zelfs schopte.

Zo kwam het dat vrouw Van der Pas mij door vleierij binnen hield om haar bij te staan als zij dacht dat haar man thuis zou komen en haar zou mishandelen. Door het vele uitgaan en drinken van Van der Pas, werd deze gaandeweg armer en de ellende in de huishouding was niet meer te overzien. Dit werd nog erger toen hij werd ontslagen uit zijn dienstbetrekking. De taferelen die tussen Van der Pas en zijn vrouw afspeelden en waarvan ik getuige was, zijn niet te beschrijven.

Meermalen riep vrouw Van der Pas mijn hulp in, wanneer zij door haar man werd mishandeld. Het was met de begrafenis van een buurman genaamd Van Orsouw, waarbij Van der Pas behulpzaam als drager was, hetgeen als burenplicht geschied. Na afloop van deze begrafenis kwam Van der Pas met mijn broer Frans naar zijn woning. Intussen was ik met zijn vrouw bezig het café van Van der Pas schoon te maken. Van der Pas vroeg zijn vrouw een geldbedrag van 5 gulden. Zijn vrouw gaf hem te kennen dat zij geen geld had en bracht hem aan zijn verstand dat de slechte tijden het niet toelieten om telkens een zeker bedrag te gaan verdrinken. Van der Pas werd over dit gezegde woedend en begon zijn vrouw uit te schelden en te beledigen. Hij begaf zich naar de slaapkamer en forceerde een kastlade, waarin zijn vrouw 2 rijksdaalders bewaarde. Dit geld nam Van der Pas mede.

Zijn vrouw ontdekte zulks en vroeg hem of hij dat geld er uit had genomen. Van der Pas werd hierop erg driftig en ontkende zulks gedaan te hebben. Zijn vrouw verweet hem dat het niemand anders gedaan kon hebben dan hij, daar het geld er nog even te voren gelegen had. Van der Pas schold haar telkens uit voor hoer en dergelijke lage uitdrukkingen. Vrouw Van der Pas begon dan te huilen en vertelde dat haar dat zo’n pijn deed dat zij telkens en telkens door haar man voor een minderwaardige vrouw aan de kaak werd gesteld tegenover het publiek in het openbaar.

Plotseling liep Van der Pas naar zijn vrouw en wilde haar mishandelen, doch mijn broer Frans weerhield hem dat te doen. Van der Pas rukte zich van mijn broer los en liep zijn vrouw na die wegvluchtte en sloeg en trapte haar dat zij er bij neer viel en hield zich of zij bewusteloos geslagen was door haar man. Daarna stond zij weer op en vluchtte naar haar buurman, achtervolgd door haar man die als een razende tegen haar vloekte en tierde. Als er zich dan zoiets afspeelde dan moest ik moeite doen en wel met inspanning van al mijn krachten om mij te beheersen. Als Van der Pas op zo’n moment mij had aangesproken dan had ik mij aan hem vergrepen, want dan verkeerde ik in een vlaag van waanzin.

Zo was ik meermalen getuige van dergelijke ergerlijke staaltjes van mishandeling en belediging welke er tussen Van der Pas en zijn vrouw voorvielen. Wanneer Van der Pas afwezig was werd ik gevleid door zijn vrouw en zocht zij troost bij mij en gaf mij meermalen te kennen dat zij mij meer begeerde tot man dan haar eigen man Jan van der Pas. Ik liet mij met haar vleierij meeslepen en wel zó dat ik er als het ware waanzinnig van werd. Ik leefde in het geheim met vrouw Van der Pas als man en vrouw, waartoe vrouw Van der Pas mij overhaalde.

Voordien had ik nog nimmer omgang gehad met vrouwen of meisjes. Honderden malen was ik getuige dat vrouw Van der Pas haar leed tegen mij uitstortte en in huilbuien losbarstte. Dit laatste trok mij zo erg aan dat ik dit niet meer van mij af kon zetten en het speelde mij geregeld door mijn hoofd om een einde te maken aan de ellende die vrouw Van der Pas te verduren had.

Het feit hierboven verklaard is slechts een greep uit de vele tientallen mishandelingen waarvan ik getuige ben geweest. Door de intieme samenleving met vrouw Van der Pas, liet zij zich meermalen ontvallen dat zij gaarne zag dat haar man kapot geschoten werd. Het speelde mij dan ook geregeld door mijn hoofd dat Jan van der Pas uit de weg geruimd moest worden om vrouw Van der Pas een beter leven te kunnen geven. Dezelfde woorden werden ook gebezigd door andere vrienden van mij en hierdoor werd ik telkens meer aangemoedigd, zodat ik op het laatst als vanzelfsprekend vond dat ik, indien ik Van der Pas opruimde, een goede daad zou verrichten. Ik sprak hierover meermalen met mijn vriend Jan van der Venne met wie ik toen werkzaam was als stratenmaker. Ik beken dan ook dat ik geprobeerd heb om Jan van der Pas in de verzekering te krijgen voor de som van ƒ 500,– of ƒ 1.000,–. Ik heb aan Jan van der Venne gevraagd of hij Van der Pas wilde verzekeren. Het liet mij niet meer los om Jan van der Pas op te ruimen en ik wist dan ook op het laatst niet beter of ik moest het doen. Welk een strijd mij dat gekost heeft is niet te beschrijven, doch ik kon niet langer zien dat vrouw Van der Pas door haar man zo mishandeld werd. Ik leefde in die tijd in een werkelijke waanzin, zoals ik thans inzie.

Van ‘s morgens tot ‘s avonds dacht ik slechts aan het feit dat Van der Pas opgeruimd moest worden en dat ik de uitverkoren persoon was om zulks te doen. Hierin werd ik nog versterkt door een zuster van Van der Pas zijn vrouw die steeds de uitdrukkingen bezigde als: “laat hem wat paardenhaar opeten, dat hij kapot gaat, de rotzak”, en nog meer dergelijke uitlatingen. Zoals ik reeds verklaard heb, vertoefde ik in de avond van 8 november 1932 in gezelschap van Harrie van der Venne wederom in het café van Jan van der Pas. Het was de dag dat Jan van der Pas jarig was.

De hele avond zijn wij, Jan van der Pas, Harrie van der Venne en ik in bedoeld café aan het biljarten geweest. Omstreeks half tien uur vertrok Harrie van der Venne en bleef ik alleen met Jan van der Pas achter. De vrouw van Jan van der Pas was reeds naar bed gegaan omdat ze zich niet goed voelde. Toen we alleen zaten sprak Van der Pas met mij over zijn zaken en over de slechte tijden en dat zijn zaak erg achteruit ging. Ik verzon toen een middel om Van der Pas dezelfde avond nog mee te krijgen. Ik vroeg Van der Pas of hij met mij mee wilde gaan om geld te gaan stelen. Ik zei tegen Van der Pas dat ik een bedrag van ƒ 1.500,– wist te zitten bij een boer in Berghem, waar mijn meisje werkzaam was. Ik had toen verkering met een meisje in Berghem. Ik zei tegen Van der Pas dat daar bij die boer een brandkast stond waar die ƒ 1.500,– inzaten, doch dat ik die brandkast alleen niet kon dragen en vroeg hem om mee te helpen dragen. Ik zou dan die brandkast openbreken en hij zou de helft van dat bedrag krijgen. Deze diefstal was echter maar gefantaseerd. Jan van der Pas wilde van deze diefstal wel weten en zegde toe om mee te gaan wanneer zijn vrouw dat goed vond.

Toen het sluitingsuur van elf uur aanbrak vertrok ik uit het café en begaf mij naar mijn woning alwaar ik een overjas aantrok. Tevens stak ik de revolver, zijnde een cilinderrevolver, geladen met zes scherpe patronen die ik op een balk in de schuur had liggen, in mijn jaszak. Deze revolver behoorde mij in eigendom toe en had ik ongeveer een 14 dagen geleden van mijn zwager L. Brands gekocht voor ƒ 6,–. Ik had deze revolver speciaal gekocht met het doel om Jan van der Pas van het leven te beroven. Ik wachtte Jan van der Pas volgens afspraak op achter onze woning op het erf. Na ongeveer vijf minuten te hebben gewacht verscheen Jan van der Pas. We zijn toen samen te voet door de weilanden gelopen tot aan de plaats waar Jan van der Pas gevonden werd.

Onderweg naar bedoelde plaats hebben we samen gesproken over de diefstal welke we zouden plegen en dat we op een goede afloop zouden rekenen. Terwijl dat we naar de plaats liepen dacht ik echter nergens anders aan dan over het feit om van der Pas op te ruimen en hem dood te schieten. Ik hoorde niet eens meer wat Jan van der Pas allemaal tot mij sprak. Ik voelde dat het uur van vergelding voor Jan van der Pas aangebroken was en hij moest boeten voor de mishandelingen door hem op zijn vrouw gepleegd. Toen we in het perceel weiland gekomen waren waarin een wit paard liep, keerde ik mij plotseling om en schoot toen zonder een woord met Van der Pas te wisselen hem met mijn in bezit zijnde cilinderrevolver dood. Ik heb zes patronen op Van der Pas verschoten. Tijdens het schieten op Van der Pas, riep hij tot mij, Oh, Ceel wat doe je nou.” Waar ik mijn revolver op richtte kan ik niet zeggen, omdat het te donker was, doch in ieder geval richtte ik het pistool op het lichaam van Van der Pas.

Of Van der Pas zich tijdens mijn schieten nog omdraaide kan ik niet zeggen, daar het te donker was en ik door het dolle heen was. Ik keek niet meer naar hem om, nadat ik Van der Pas neergeschoten had doch vluchtte onmiddellijk door de weilanden in de richting van mijn ouderlijke woning. Onderweg ben ik nog eenmaal op mijn knieën gaan zitten om te luisteren of Van der Pas zou roepen, daar ik op dat moment wroeging had van de door mij gepleegde vreselijke misdaad. Ik hoorde echter niets meer en was er wel van overtuigd dat Van der Pas dood moest zijn. Bij mijn woning aangekomen, het was toen circa 12 uur middernacht, ben ik heimelijk mijn ouderlijke woning binnengeslopen en ben naar bed gegaan. Ik sliep zoals gewoonlijk naast mijn broer Frans en deze heeft vermoedelijk ook wel gemerkt dat ik thuis kwam. Voordat ik naar bed ging heb ik mijn revolver weer op dezelfde plaats gelegd waar ik hem voorheen had liggen.

De volgende morgen ben ik omstreeks acht uur opgestaan en deed zoals ik gewoon was te doen, namelijk na het ontbijt naar Van de Pas te gaan. Toen ik over de weg liep naar de woning van Van der Pas, zag ik dat de gordijnen van het café nog gesloten waren en wilde ik doorlopen. Ik werd nageroepen door het dienstmeisje van Van der Pas, genaamd Jans Geurts. Deze vroeg mij of ik even binnen wilde komen waaraan ik gevolg gaf. Ik begaf mij in het café van Van der Pas alwaar ik vrouw Van der Pas aantrof. Zij lag te bed. Vrouw Van der Pas zei mij, “Onze Jan is nog niet thuis.” Ik meen hierop te hebben geantwoord: “Neen, is hij nog niet thuis?” Vrouw Van der Pas vroeg mij toen of ik bij de politie wilde gaan informeren waar haar man was. Ik antwoordde hierop: “Ja dat zal ik wel doen.” Terwijl ik wegliep riep vrouw Van der Pas mij na: “Och ik weet het wel, want gij bent gisteravond met hem mee gegaan om te gaan stelen.”

Ik antwoordde hierop: “Och houd dat maar stil.” Ook vroeg vrouw Van der Pas mij nog of ik wist waar Jan was. Ik antwoordde hierop ontkennend. Ik heb hierop het rijwiel van Jan van der Pas genomen en heb mij begeven in de richting van de stad Oss om bij de politie te informeren.

Onderweg kwam ik de wachtmeester Curfs tegen, die ik staande hield en hem te kennen gaf dat ik gehoord had dat Jan van der Pas gisteravond van huis gegaan was en tot op heden nog niet weer gekeerd was. Wachtmeester Curfs nam mij mee naar het politiebureau alwaar ik in een cel geplaatst werd. Nadat ik door Justitie was verhoord heb ik mij diezelfde avond weer naar huis begeven na in vrijheid te zijn gesteld.

Daags daarna heb ik de revolver ter hand gesteld aan mijn zwager L. Brands onder voorwendsel dat ik er toch niets mee kon doen. Dit zei ik om Brands zekerheid te geven dat ik met de moord op Jan van der Pas niets had uit te staan. Mijn zwager werd bij het overhandigen bleek, wat mij goed opviel en hij verwijderde zich dan ook ogenblikkelijk. Nadien werd ik wel gewaar dat mijn zwager de bewuste revolver opgeruimd had en vermoedelijk kapot geslagen heeft. Nimmer heeft mijn zwager echter daarover iets tegen mij gezegd. Kort nadien is de vrouw van Van der Pas vertrokken naar Tilburg. Ik heb haar daar eenmaal bezocht met mijn racefiets. Ik deed dat omdat ik mij onrustig voelde en ik wilde weten wat ze van haar dachten. Later heb ik vrouw Van der Pas nog tweemaal te Udenhout bezocht. Ik heb toen maar even met haar gesproken, doch ik heb haar nimmer bekend dat ik Jan van der Pas vermoord heb.

Thans ben ik toch gelukkig dat ik tegenover U beiden een volledige verklaring heb afgelegd en ik weet dat er een erge straf voor mij op zit nu ik bekend heb, doch mijn straf wil ik met genoegen dragen, daar ik het als een boetedoening voor mij beschouw dat ik een dergelijke vreselijke misdaad heb begaan. Ik kan alsnog verklaren dat ik nimmer een woord van mijn misdaad aan Piet de Bie noch aan iemand anders heb toevertrouwd. Piet de Bie heeft mij ook nimmer iets toevertrouwd en niet medegedeeld dat hij zijn neef Gerrit had vermoord.

Wel wil ik nog verklaren hoe ik tot het misdadig leven gekomen ben. Ik leefde de laatste jaren in het Osse milieu waar niet anders dan over moord, roof en diefstal werd gesproken. De personen die dergelijke misdaden pleegden werden als het ware als een held in Oss beschouwd en eenieder sprak met een zekere eerbied over zulke personen die zoiets durfden te ondernemen.

Meermalen kwam de gedachte bij mij op dat ik ook graag zag dat er in Oss over mij gesproken werd en als een held beschouwd zou worden. Ik beschouwde het dan ook als een verering wanneer een lid van de Osse gilde mij op de schouder klopte en mij toevoegde: “Ha, Jantje dat is ook nog eens een kerel, die durft ook nog wel.” Door deze omstandigheden verviel ik tot de laagste misdaden en ging meerdere malen met de Osse gilde op roof uit. Ik wist dat er dan in de kranten over geschreven werd en in Oss over gesproken werd, hetwelk ik een genoegen vond. Ik leefde in die tijd in een soort van hoogmoedswaanzin en meende dat ik alles bereiken kon. Thans wil ik ook de andere misdaden welke ik gepleegd heb bekennen en zal de namen noemen van degenen die er bij geweest zijn.”

Het grote zwijgen doorbroken

“Een ganschen dag trekken voor onze oogen menschen langs de breede, groene tafel der Bossche rechtszaal voorbij, hun daden worden blootgelegd door mannen in zwarte toga’s, wit gebeft, vertegenwoordigers der menschelijke gerechtigheid, hun daden liggen voor ons open als een boek, maar hun harten?”, schreef De Maasbode in oktober 1935. De krant vervolgt: “Verschrikkelijke daden zijn het: roof en diefstal en bedrog, moord om een vrouw, brandstichting om een handvol guldens, overval van oude, weerlooze stakkers, een lange, eentonige reeks – daden uit een wereld van toomelooze driften, van geldzucht en bruut genot, van wraak en wreede vrees, van zinneloosheid bijna, maar hoe diep wortelt de schuld van deze daden in hun hart? Welke driften kregen de kinderen in deze kleine, chaotische wereld bij de geboorte van hun ouders mee, welke gebondenheid aan het milieu heeft hun levensgang bepaald?

Thans botst de wereld der bandeloosheid met een andere de wereld der maatschappelijke orde, der burgerlijke samenleving, en ter wille van het recht, ter wille der veiligheid en zekerheid in het menschelijk verkeer moet de verwording uitgeroeid worden, vernietigd, onverbiddelijk en zonder mededoogen. De samenleving – in den persoon der rechters op het breede, met eikenhouten balustrades afgeschutte podium – zetelt hier en spreekt haar oordeel uit over “misdadigers”.

Misdadigers komen, misdadigers gaan, een rechtbank doet haar zwaren plicht, de dames en heeren der volle genoodigdenbanken, de mannen-met-petten der volle publieke tribune staren in een huiver van sensatiezucht naar de koppen, naar de kleeren, oud en vervaald of glanzend nog van nieuwigheid naar de misdadige handen, die achter op de ruggen zenuwachtig samenwringen; journalisten van alle bladen schrijven kolommen vol over de misdaad.

Wie onzer denkt eraan, dat deze figuren die hier als misdadigers geoordeeld en veroordeeld worden – zwaar veroordeeld moeten wij helaas hopen – behalve bendeleiders, moordenaars, dieven, ook menschen zijn? Dat de daden door ons gewogen kunnen worden, maar nimmer de harten, nimmer….. Ik zal niet meer over de Ossche misdaad schrijven, wij hebben het allen te veel gedaan. Zoo lang de misdadiger vecht tegen de samenleving, gevangen of vrij, zo lang hij onwrikbaar en van berouw niet weten wil, zóó lang moeten wij tegenover hen staan. Maar hier komen mannen en jongens, die bijna zonder uitzondering zich hebben overgegeven, die hun zware zonden toegeven.

Deze rechtszitting en al de zittingen die in de komende weken aan de Ossche zaken gewijd zullen zijn, zijn geen zittingen van spanning en sensatie. Misdaden worden bekend, misdaden worden geoordeeld, een lange, eentonige reeks. De rechter moet onverbiddelijk zijn, het is zijn zware plicht, want niet slechts de personen, ook de groep, het milieu moet hier getroffen worden in het belang der samenleving. De rechter oordeelt den misdadiger, wereld staat tegenover wereld, maar wij, die toeschouwen, wij mogen den mensch weer zoeken in den vijand, die zich overgaf. Zal het mogelijk zijn iets van het hart te peilen uit een snellen blik, uit een schichtig gebaar, uit het wringen der handen, uit een glimlach, een snik? Ik weet het niet, maar wij moeten het trachten. De plicht der gemeenschap is: streng te straffen, maar de plicht van den enkeling: medelijden te hebben met de gestraften…..

Als ergens de menschelijkheid der Ossche maffia duidelijk naar voren treedt, dan is het in haar snellen val. Twintig, dertig, veertig jaar lang is de groote misdadigersfamilie van het Schayksche veld onaantastbaar gebleven in haar zwijgen. Zwijgen, zich niets herinneren, nimmer iets weten, dat was van oudsher de tactiek van den Osschen misdadiger. Als een tong te los werd, schoot ‘s nachts op een donkere landweg tusschen het struikgewas een mes uit en den volgenden dag vond de politie een lijk. Alle De Bie’s en Van der Puttens, alle Hendriksen en Van Orsouws, alle Van Berne’s, Van Galens en Brokken, alle Ceelens en Ulijnen kenden deze wet van het zwijgen en hare zware sancties, allen werden zij van jongsaf in de tactiek van den meineed geoefend en pasten zij hem sluwer en sluwer toe. En werden brutaler in hunne misdaden.

Uiterlijk vrij plomp, in wezen echter steeds op geraffineerde wijze in de stille kroegen opgezet, bleven de inbraken, de gewaagde roofovervallen tot zelfs de moorden jarenlang onopgelost, op zijn minst onbewezen. De omwonenden der streek, die iets wisten – het waren er weinigen – durfden uit angst voor de terreur niet te spreken. Het Schayksche veld was tegen de politie en buitenwereld beschermd door een muur van zwijgen, het leek haast onoverwinnelijk. En dan…. als het zwijgen rond de gruwelijksten moord in Oss bedreven – de moord op Gerrit de Bie, die in een stillen zomernacht van 1933 met zevenenzestig messteken werd vermoord – vage geruchten wekt, als het wantrouwen begint rond te waren en er valsche vermoedens groeien, wordt een jongen beangst voor zijn lijf en vrijheid, het verraad – oud als de mensch, oud als de misdaad zelf – sluipt in het Schayksche veld binnen: “de Rut” (Van der Putten) levert zijn negentienjarige vriend, Piet de Bie, aan Justitie uit. Nog zie ik hem tien maanden geleden daar staan, op dezelfde plaats waar nu één voor één de figuren der Ossche onderwereld voor hun rechters komen, nog zie ik hoe hij den strakgetrokken rug naar den bleeken jongeman in de beklaagdenbank keerde, hoe hij krampachtig het hoofd van zijn vroegere makker en al de bekenden van de publieke tribune hield afgewend, nog hoor ik zijn dunne benauwde stem.

Rond het beeld van “de Rut” zooals hij daar voor de groene tafel stond, schreef ik toen, blijven de twijfels waren. “De Rut” is het groote mysterie van de moordzaak-De Bie. Thans is het mysterie rond de zielige figuur van “de Rut” opgelost, thans kunnen wij ons indenken in de angst en spanning van een geest, die geweten moet hebben, welk hoorspel hij speelt door een tip van den sluier op te lichten, die ook zijn eigen daden bedekte, die gevoeld moet hebben, hoe hij – voor een stampvolle en niet-weetende rechtszaal – op den rand van een afgrond balanceerende en hoe een val het heele Schayksche veld en wat daarmee in verbinding stond, moest mee sleuren….. Wimmeke de Bie, de zestienjarige broer van den verradene, wordt dank zij de doortastende voorzorgsmaatregelen, op instigatie van mr Dubois, den Bosschen substituut-officier van justitie, getroffen na den wreedachtigen roofoverval van Oyen onmiddellijk gevangen genomen en neemt – als zijn aandeel in de misdaad overschat en zijn straf te zwaar uitgemeten wordt – op “de Rut” wraak door op zijn beurt diens rol in het gebeurde te onthullen.

Dan is er een bres in den ondoordringbaren muur van het zwijgen, dan sleept de een in zijn val den ander mee, dan volgt er een lawine van bekentenissen. En dan hervindt de misdadiger uit het Ossche milieu plotseling zijn zwakke menschelijkheid. Ontdekt, den steun van zijn omgeving verliezend, aan zichzelf overgelaten, voelt hij plotseling de zenuwspanning breken, waarin de jacht van misdaad naar misdaad hem steeds gehouden had, komt hij uit den wilden roes van driften tot bezinning, hoort hij de rest van een elementair geweten in zichzelf spreken, geeft hij zich over, bekent, huilt – als Ceelen, een der moedigsten en een der wildsten – een ganschen dag lang zijn zenuwen en misschien zijn berouw uit.

“Ik wist niet meer wat ik deed, ik durfde alles, niemand kon ons aan, we stonden nergens meer voor, ik was krankzinnig”, zegt “de Ceel”, de gevierde man der Brabantsche wielerbanen en de moordenaar van zijn vriend Van der Pas – moordenaar om de gunst van een vrouw – bij zijn verhoor in de gevangenis en in het verbeiden van de straf herwint hij iets van een langverloren rust en iets van een beteren mensch: wanneer hij straks als getuige voor de rechtbank komt, zal er een merkwaardige zekerheid en kalmte in zijn oogopslag liggen, een merkwaardige vastheid in zijn stem doorklinken, zal er een berusting uit zijn heele, jonge wezen spreken die bijna aan een nieuw geluk doet denken: het geluk, dat gewonnen wordt onder “den boom van groot verdriet”…..

“Ge zou gek geworden hebbe van al het ontkennen”, stoot Piet de Bie uit, als ook hij – de sluwste leugenaar van allen – in de gevangenis zijn schuld bekend heeft en in deze onhandige gevoelsuiting, niet minder dan in die van Ceelen, begrijpt de fijn-gevoelige hoorder het zo menschelijk geluk der bevrijding. In enkele maanden is de alles trotseerende allen-uitdagende bende, die zich tientallen jaren niet benaderen liet en bij alle verhooren, voor alle rechterpodiums, haar koelbloedigheid behield, van haar voetstuk gevallen, door het moedige werk van parket, marechaussee en gemeentepolitie zeer zeker, maar in diepsten grond, omdat ook de Ossche misdadiger, vooral de jongere, in al zijn vroege verhardheid een mensch bleek, maar in wezen zwak was en onderhevig aan angsten en wroegingen als anderen, een mensch, die, als anderen, tenslotte niet voorbij kon aan de stem van het hart.

Drie generaties van misdadigers leefden in de lage verspreide huizen van het Schayksche veld; die van rond veertig, die van rond dertig en die van rond twintig jaar. Natuurlijk vloeien de drie groepen in elkaar over, zooals ook tusschen de kleine, geregelde operatiebenden een scherpe scheidingslijn niet te trekken viel, omdat telkens weer leden van de eene bende in een andere “hospiteerden” – het woord is van het O.M. in zijn requisitoir – maar de kernen zijn duidelijk te onderscheiden. Van deze generatie pleegde de jongste de zwaarste misdaden, maar de oudste lijkt het meest afgestompt. De jongsten grootgebracht bij stelen en drinken, meegelokt door de ouderen op hun rooftochten vierden spoedig het meest toomeloos hun driften bot, maar minder dan bij de ouderen had zich het kwaad vastgezet in de ziel.

De hunnen waren het, die het eerst gingen spreken: de Rut, Wim de Bie, de Ceel, zelfs Piet de Bie konden den last der moorden niet langer dragen en praatten, praatten….. blij dat de beklemming van het zwijgen van hen is afgevallen. Tusschen de oudsten en de jongsten in staat de generatie dertigers naar den leeftijd maar ook naar den geest. Zij capituleert, zij geeft het spel verloren, maar zij doet het met meer aarzeling, de behoefte aan psychische bevrijding is bij haar niet meer zoo sterk, zij bekent maar de angst voor het milieu, de angst voor wat na tien, na vijftien jaar gevangenis nog gebeuren kan, treedt in hare bekentenis sterker aan den dag.

Ceelen, die bekende, omdat hij bekennen moest, omdat het hem te veel, te zwaar was geworden van binnen. Ceelen blikt, “den Brus” en Peer de Bie, tegen wie ook hij komt getuigen, rustig en vast in het gezicht, Ceelen slaat zijn oogen niet neer voor de publieke tribune.

Toch is er niets tartends, niets trotseerends in diens blik, die nog het floers draagt van een groot leed, slechts een berusting, die afgerekend schijnt te hebben met het vroegere en er daarom geen vrees meer voor kent. Een merkwaardig menschenkind, deze lichtblonde, knappe jongen in het leeren jachtvest en de zware, geruite, wollen trui, die hij langs de wielerbanen droeg, waar hij zoo vaak successen oogstte en toegejuicht werd door een enthousiast publiek, merkwaardig en boeiend, omdat zijn driften hem langs steilten en diepten van het leven voerden, die de anderen misschien nauwelijks bevroed hebben.

Ceelen is niet de geboren misdadiger, hij is de geboren avonturier. Hij ging verder, hij daalde dieper dan de anderen, hij ging zóóver, dat zijn hart hem niet meer volgen kon en hij wreed werd voor zichzelf. Zijn leven werd een roes; de bewondering van een juichend publiek bij dag, de sensatie, de spanning der misdaad des nachts. Toen hij uit den roes ontwaakte, proefde hij de bitterheid en den droesem. Was het zijn moeder, die de kiem van het geweten in hem levend hield, die moeder, die ‘s nachts in de kille benedenkamer immer op hem wachtte, die hem duizendmaal bad en smeekte met dit soort leven op te houden en die misschien door haar duizendmaal duizend angsten voor haar zoon genade won? In Ceelen’s hart bloeide, toen de spanning brak en de roes verging, die vreemde, donkere, louterende bloem: het berouw.

En thans staat hij hier voor de rechterstafel, de eerste Ossenaar, die zijn handen niet op den rug samenperst, maar ze rustig langs het lichaam hangen laat, en antwoordt met klare stem op de vragen van den president: “ja zeker, ik heb de vrouw vastgehouden mijnheer de president, de anderen hebben de man naar de brandkast gesleept, ik heb later als mijn aandeel tweehonderdtachtig gulden gekregen”…..

En als “den Brus” zich heftig laat gaan: “Hij liegt, hij wordt alleen maar gestraft voor den moord op Van der Pas, dat staat in zijn cel geschreven” – de blinde houw van een in ‘t nauw gedreven dier – dan draait Ceelen zich naar hem om en kijkt hem aan, kijkt hem enkel maar aan met zijn gefloerste oogen, terwijl er om zijn mond een zwakke, meewarige glimlach speelt. Wij verwachten allen, dat hij iets antwoorden zal, dat hij zal zeggen, zonder hardheid of ruwheid “Kom Brus, doe niet kinderachtig, wat kan het helpen!” maar hij blijft zwijgen en kijkt. In dat zwijgen ligt zijn overwinning, die overwinning op zijn vroegere zelf.” Tot zover De Maasbode.

Tegenover de rechter-commissaris heeft Ceelen zijn eerder bekennende verklaring aan de wachtmeesters der marechaussee De Gier en Van der Weerd bevestigd. Hij verklaart daarnaast ook: “De laatste zes à zeven maanden ontstond er een bepaalde verhouding tussen vrouw Van der Pas (Jans van Uden) en mij. Zij liet mij duidelijk merken dat ze mij meer begeerde dan haar man en zo kwam het dat wij als man en vrouw leefden.

Zij heeft wel eens gezegd dat zij wel wenste dat haar man kapot geschoten werd, doch ze heeft mij daartoe nooit aangezet. Langzamerhand ontstond bij mij het denkbeeld dat het beter was voor vrouw Van der Pas als haar man uit de weg geruimd werd. Ik vond het tenslotte heel natuurlijk wanneer ik dat deed om vrouw Van der Pas van haar man te bevrijden.” Door deze verklaring kwam een vervolging van Jans van Uden ter zake uitlokking van moord op haar man Jan van der Pas op losse schroeven te staan.

De behandeling van de strafzaak tegen J.P. Ceelen door de rechtbank te ‘s-Hertogenbosch is op 31 oktober 1935, voorzitter is mr. W.J.M. Ummels en de mederechters zijn mr. K.O.J.M. Sassen en mr. J.W.M. Schröder, bijzittend rechter is mr. F.H.X. Verheijen, griffier mr. A. Rubbens. De officier van justitie is mr. J.J.G. van Everdingen.

Ceelen wordt ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 9 november 1932 onder Berghem – althans in de omgeving daarvan – opzettelijk, na tevoren in kalm overleg en na rijp beraad het plan daartoe te hebben opgevat, Johannes Marinus Cornelus van der Pas van het leven heeft beroofd door van zeer kortbij een met scherp geladen revolver herhaalde malen op diens lichaam af te vuren, waardoor meerdere kogels doel troffen en het hart werd doorboord, tengevolge waarvan Van der Pas spoedig overleed (artikel 289 Wetboek van Strafrecht).

Tevens wordt dan de roofoverval behandeld die Ceelen tezamen met H.A. van der Putten (“De Rut”), A.J. Hendriks (“De jonge Toon de Soep”) en P. de Bie pleegde te Uden in de nacht van 20 op 21 februari 1934 bij W. Bouman, waarbij ƒ 1.900,– werd gestolen.

Voor de rechter

“Ceelen is geen gewone misdadiger, ook geen gewone Ossche misdadiger, hij is niet voor de misdaad geboren. Geboren werd hij voor het avontuur, maar zijn leven opende hem geen ander avontuur dan dat der misdaad. Hij werd het slachtoffer van een teveel aan moed, aan overmoed. Het slachtoffer van een teveel aan fantasie, die geen ander geestelijk voedsel ontving dan de sensatie van de brand en de roof…..,” aldus De Maasbode van zaterdag 2 november 1935.

Ceelen was één van de vele Osse misdadigers die toen werd berecht. De rechtbankverslaggever van De Maasbode beschrijft de behandeling van al die strafzaken als volgt: “Achter den zwaren, leer-overtrokken zetel van den president der rechtbank hangt een stervormige klok, blinkend verguld en over de witte wijzerplaat van die klok kruipen de smalle wijzers langzaam en met een tergende regelmaat rond: de minuten, de grijze uren verglijden van den morgen in den middag. En met de regelmaat van de klok roept de deurwaarder de nummers der Ossche zaken af, heft een grimmige gerechtigheid haar straffende hand, hooren menschen hun verbanning uit de samenleving eischen voor langen, langen tijd….. De loop van het recht krijgt hier bijna het monotone van een mechanisch-gedreven uurwerk: de deurwaarder kondigt aan, een marechaussee leidt een man voor de balie in een vaal pak en met schichtige oogen, de president stelt eenige vragen over een inbraak, een brandstichting, een roofoverval, de man knikt vele malen en zegt “Jawel, mijnheer de rechter”, er komen een of twee getuigen, de officier requireert vijf, zes, acht jaren gevangenis, een advocaat pleit clementie, de verdachte wordt weggeleid….. volgende zaak.”

In het strafdossier van Ceelen bevinden zich twee inlichtingenstaten. Eén opgemaakt door de inspecteur van gemeentepolitie te Oss, Van Kempen en één opgemaakt door de wachtmeesters der marechaussee Ch. de Gier en A. v.d. Weerd. Het rapport van de gemeentepolitie is heel negatief.

De inspecteur relateert: “Verdachte werkte vroeger in het landbouwbedrijf van zijn vader doch ging al vroeg met verkeerde makkers om. Zijn vader, Johannes Nicodemus Ceelen komt meermalen in oude verbalenregisters voor. Hij maakte vroeger nog wel eens misbruik van sterke drank en vocht gaarne met de politie. Zijn moeder is een afstammeling van de beruchte zogenaamde “Baronnen”-familie uit de tijd dat wachtmeester Hoekman werd vermoord (1893). Ik herinner mij nog dat ik enkele jaren geleden aan de woning van Ceelen kwam. Dit was niet naar de zin van de vader en stond hij knarstandend bij me, mogelijk om mij schrik aan te jagen. Toen hij bemerkte dat dit niet ging, droop hij af.

Een bewijs dat hij niet streng tegen zijn zoon optrad als deze verdacht werd verkeerde dingente doen. Eenige jaren geleden ging hij er des nachts op uit naar Berghem om zijn slag te slaan met leden der z.g. Ossche bende en bij die gelegenheid nam hij een hamer mede, zeggende “als ze ons te na komen zullen ze het niet verder vertellen.” De bedoeling aldus om degene die te kort in hun nabijheid kwam met den hamer neer te slaan. Verdachte was een liefhebber om de politie te sarren. Voordat de feiten waarvan hij thans verdacht is aan het daglicht kwamen was hij te Oss zeer gevierd in verband met zijn uithoudingsvermogen bij het wielrennen.

Er gingen zelfs menschen met hem om die zich er nu wel voor zullen schamen. Bij ons stond hij reeds lang als zeer ongunstig te boek. Het was een z.g. “branie” en overal haantje de voorste. Vroeger was hij verdacht een verhouding te hebben met de vrouw van zijn slachtoffer Van der Pas en na diens dood en het vertrek van die vrouw was hij opvallend veel bij de vrouw van een straatmaker Van der Venne uit deze gemeente, met welke vrouw hij verleden jaar eenigen tijd weggeweest is. Ik voor mij kan niet gelooven dat hij zich na zijn straftijd geheel zal beteren. Zijn karakter deugt niet.”

De wachtmeesters der marechaussee rapporteerden het volgende: “Verdachte, Johannes Petrus Ceelen, is afkomstig uit een huisgezin van negen kinderen. Hij bezit brave, eenvoudige en diep godsdienstige ouders. Zijn vader is een sterke, stoere landbouwer; zijn moeder, een trouwe stille vrouw. Het gezin moet hard werken. Het is mij wachtmeester De Gier bekend dat Ceelen reeds als kind een levenslustige moedige jongen was, met een temperamentvol karakter en aanleg voor humor. Dit kenmerkte Ceelen steeds meer en meer naarmate hij ouder werd.

Hij genoot een degelijke godsdienstige opvoeding. Als kind werd hij uitbesteed bij een boer, die bekend stond als een dronkaard en een ruwe kerel die het met zijn plichten niet nauw nam. Hij bedronk zich dagelijks, vloekte en tierde tegen zijn knechten die dan erg bang voor hem waren, doch Ceelen nam het voor hen op en durfde, ondanks zijn jeugdige leeftijd, hem het hoofd te bieden. Het landbouwerswerk werd Ceelen te eentonig, maakte er weldra een einde aan en vond werk op de Exportslagerijen alhier.

Ook hier bleek hij door zijn gedragingen haantje de voorste te zijn en een ieder had gaarne met hem te doen omdat hij telkens nieuwe dolle dingen uitvond waaraan een normale jongen niet dacht, waarmede hij de lachlust van zijn mede-arbeiders wist op te wekken. Ceelen werd dan telkens aangemoedigd, met het gevolg dat zijn dolle buien en zijn fantastische verhalen somwijlen alle perken te buiten gingen.

Het gevolg hiervan was dat hij het zoo bont maakte dat hij ontslagen werd. Hierna voelde hij zich aangetrokken tot stratenmaker. Het duurde niet lang of hij vond werk als opperman bij de stratenmakers. Daar dit in den regel onverschillige lieden zijn en een avontuurlijk leven leiden, was dit voor hem koren op zijn molen. Omdat Ceelen een sterke gespierde jongen was, viel het hem gemakkelijk dit zware werk te verrichten, zoodat hij weldra in den smaak viel. Ook hier werd Ceelen de vriend van allen omdat hij een ieder tot zich wist te trekken door zijn overmoedige daden en fantastische verhalen.

Deze daden bestonden onder meer uit heimelijk in de weiden koeien te melken; achter op een bierwagen te klimmen en eenige flesschen bier weg te nemen enz, enz. Dit is slechts een greep uit de honderdtallen handelingen. Ceelen werd hierin steeds door zijn vrienden aangemoedigd, wellicht niet beseffende dat deze kleine handelingen reeds misdadig werden. Hoewel deze lieden zich meermalen en veelvuldig bedronken, deed Ceelen zulks zoogoed als nimmer.

Ceelen was en bleef geen vriend van alcoholische dranken. Zijn onrustige en avontuurlijke neigingen vonden ook geen rust in het stratenmakers-vak en weldra voelde hij zich aangetrokken tot de in Oss opkomende wielersport. Intusschen had hij reeds zóó de aandacht van het publiek op zich weten te vestigen dat hij algemeen door het publiek werd genoemd: “De Gekke Ceel”.

Als buurjongen maakte Ceelen kennis met den caféhouder en sloot hiermede reeds terstond vriendschap. Van der Pas, eveneens een sterke rondborstige jonge kerel riep Ceelen bij elke gelegenheid te hulp in de woning en in het café, zodat hij op den duur allerlei huiselijke werkzaamheden moest verrichten. Van der Pas was in dienst bij een bierbottelaar, Verhoeven, was zodoende hele dagen van huis en bedronk zich veelvuldig met het gevolg dat hij ruw en onverschillig werd voor zijn huisgezin. Tijdens de afwezigheid van Van der Pas, moest Ceelen op zijn verzoek hem dikwijls als kastelein vervangen. Van der Pas pleegde meermalen mishandelingen op zijn vrouw, speciaal wanneer hij dronken thuis kwam. Zoo kwam het dat Ceelen nagenoeg dagelijks getuige was van de mishandelingen die vrouw Van der Pas te verduren had van haar man. Zij riep dan meermalen de hulp in van Ceelen, wel wetende dat hij zulks wel durfde en zijn mannetje kon staan.

Het werd weldra een publiek geheim omdat vrouw Van der Pas, aan iedere bezoeker haar lief en leed vertelde uit haar huwelijk om medelijden op te wekken. Zij wist dan door listen en het geven van lekkernijen en andere lokmiddelen Ceelen voor zich te winnen en door medelijden op te wekken. Ceelen was daar zeer gevoelig voor, temeer omdat hij voordien zoogoed als nimmer omgang had gehad met vrouwen. Zoo kwam het dat Ceelen het opnam voor die vrouw en er zijn grote afkeuring te kennen gaf, wanneer zij klappen kreeg van haar man. Hierbij werd hij gesteund door zijn vrienden, die Ceelen meermalen te kennen gaven dat zo’n kerel beter kapot geschoten kon worden enz. Ceelen liep hierover dagen te prakkiseren en zich op te winden om aan zulk leven een einde te maken.

Het duurde niet lang of vrouw Van der Pas knoopte in het geheim door haar vleierrijen intieme betrekkingen aan met Ceelen. Intusschen werd Van der Pas gaande armer en de verstandhoudingen tusschen hem en zijn vrouw werden met den dag slechter. Zijn vrouw die de kunst verstond Ceelen te imiteeren, – wellicht wordt bedoeld intimideren, “bespelen” – zorgde er wel voor dat hij haar beschermde. Langzamerhand en aangemoedigd door vele anderen rijpte bij Ceelen een plan om Van der Pas op te ruimen.

Op den duur meende hij dat hij hiermede zelfs een weldaad beging. Hij kocht voor dat doel een cilinderrevolver en liep er dagen en nachten over te piekeren, zodat hij op den duur de waanzinnigheid nabij was. Op een zekere avond was bij Ceelen het plan gerijpt om voorgoed een einde te maken aan deze mishandelingen. Toen hij laat in den avond alleen met Van der Pas over de slechte tijden sprak vond hij een gelegenheid om Van der Pas mede te lokken door te verzinnen dat hij een brandkast wist te zitten met veel geld.

Van der Pas ging hierop in en samen gingen zij na het sluitingsuur naar een stille weide waar Ceelen zijn voorgenomen daad volvoerde. Reeds direct na het volvoeren van zijn daad, voelde hij wroeging maar hij wist zijn geweten te sussen omdat hij meende dat hij werkelijk hiermede een goede daad had verricht. Later, naarmate hij ouder werd en meer ondervinding opdeed, begon het geweten weer te spreken en vond dan ook nergens meer rust. Hij moest afleiding hebben, werd steeds onverschilliger, gooide zijn godsdienst overboord en sloot zich aan bij de dieven en inbrekers alhier. Hier werd hij met open armen ontvangen omdat men wist dat Ceelen over grote moed beschikte en daarbij schrander en slimmer was dan een der hunnen.

Onderwijl maakte Ceelen grote successen op het gebied der wielersport en werd weldra de favoriet der Brabantsche wielerbanen. Zo kwam het dat Ceelen veelvuldig verkeerde onder het gegoede publiek. Deze menschen wist Ceelen handig te misleiden, zodat men algemeen aannam dat hij een nette degelijke jongeman was voor wie een mooie toekomst was weggelegd.

Hier begon Ceelen een dubbel leven te leiden. Hij maakte dan heimelijke afspraken met zijn vrienden inbrekers en troffen dan elkander ergens in de heide of een korenveld. Als de nacht aanbrak sloop Ceelen dan heimelijk uit zijn ouderlijke woning en was de leider van een kleine groep dieven en inbrekers, die op den duur nergens meer voor stonden.

Omdat Ceelen niet bemiddeld was en het wielrennen veel geld kostte, verzon hij een middel om aan geld te komen. Hij werd abonnee op verschillende dagbladen en tijdschriften en sloot verzekeringen tegen ongevallen af. Daarna ging hij tot zelfverminking over. Hij bezat zoveel moed dat hij met een hakmes zijn wijsvinger afhakte. Hier moest hij tweemaal over doen, daar hij de bewuste vinger eerst te kort afhakte. Ceelen kreeg hierna de verwachte gelden echter niet uitbetaald.

Zo maakte Ceelen zich schuldig aan de roofoverval op een oude man te Deurne, Uden en Mariaheide. Ondertusschen werd er door hem of door zijn tusschenkomst brand gesticht te Uden en te Oss. Uiteindelijk mocht het ons in den zomer van het jaar 1934 gelukken Ceelen aan te houden voor den roofoverval te Deurne, doch werd door de Rechtbank te Roermond wegens gebrek aan bewijs en het doen van een valschen eed door Van der Putten, vrijgesproken.

Gedurende zijn voorlopig arrest, ging Ceelen aan het prakkiseren en het is daaraan te danken dat hij langzamerhand tot bezinning kwam en het verkeerde van zijn daden leerde inzien, waarna hij ten slotte tot een rouwmoedige bekentenis kwam van al de misdaden welke hij ooit in zijn leven beging. Ceelen behoorde dan ook eertijds tot een van de gevaarlijkste misdadigers, een menschelijke hyena gelijk die er niet tegen op zag de gemeenste misdaden te volvoeren.”

Mr. Bloemarts, zijn advocaat, geeft in zijn pleidooi een psychologische verklaring voor de misdrijven door Ceelen begaan. De wroeging over de moord op Van der Pas vrat zo diep op Ceelen in dat zij hem in de armen van de Osse bende dreef. Ceelen was een van diegenen, die maar voor één ding bang zijn: voor de angst, en toen hij de wroeging voelde, wilde hij zichzelf bewijzen, dat hij voor zijn wroeging geen angst had. Hij stortte zich in de roes der misdaad om de stem van zijn hart te verstikken, kon van de nachtelijke spanning niet meer los komen en greep ‘s morgens gierig naar de kranten om te zien wat zij over zijn roof vertelden. Geen geldzucht dreef hem, doch zucht naar sensatie.

De officier van justitie eist voor de moord op J. van der Pas 14 jaar en voor de roofoverval te Uden 10 jaar. Op 14 november 1935 veroordeelt de rechtbank Ceelen tot 8 jaar voor de moord en tot 8 jaar voor de roofoverval. De officier van justitie tekent hoger beroep aan bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch tegen het vonnis van de rechtbank met betrekking tot de moord op Jan van der Pas. De procureur-generaal eist op 22 april 1936 elf jaar en zes maanden gevangenisstraf, zonder aftrek van voorarrest. Het gerechtshof veroordeelt op 4 mei 1936 Ceelen voor de moord op Van der Pas tot 10 jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Ceelen had dus een totale gevangenisstraf van 18 jaar opgelegd gekregen.

Hoe heeft het allemaal zo kunnen lopen?

Toen professor dr. W. Nagel Ceelen in de gevangenis opzocht in het kader van zijn proefschrift over “De criminaliteit van Oss”, vertelde Ceelen hem over zijn jeugd: “Wij hadden als jongens eigenlijk veel te weinig vertier. Onze enige ontspanning was het café; voor de ouderen was dit nog meer het geval dan voor ons, jongeren, want wij hadden ons vermaak ook nog op straat. Hier in de strafgevangenis hebben wij daar hele avonden op de slaapzaal over liggen praten, als wij boeken met reisbeschrijvingen uit de bibliotheek gelezen hadden. We hadden zo weinig gelezen en wisten niet wat er te koop was op de wereld. Waarom, zo vroegen wij ons af, hebben wij ons café-geld nooit opgespaard om samen eens naar een grote stad te gaan kijken of een dierentuin te bezichtigen?”

Het enige wat hun fantasie stof gaf zijn de verhalen geweest die zij elkaar van de anderen vertelden, op de wijze van: daar heb je die en die, hij kan zoveel bier op en heeft die inbraak gepleegd, maar lachte de politie in het gezicht uit. Zo vulden zij elkaars voorstellingsvermogen en vuurden elkaar aan, elke zondag en elk vrij uur, dat in ledigheid, op straat of in de kroeg werd doorgebracht, aldus Nagel. Als professor Nagel over het wielrennen begint, zegt Ceelen: “Dat was inderdaad een pracht ontspanning, maar toen ik er mee begon had ik mijn moord al gepleegd!” Hij vertelt niet alleen intelligent, maar ook boeiend; snaaks is misschien het woord.

De oplichting waarmee hij als 16-jarige debuteert bestaat in de volgende feiten: hij scheurde een zilverbon van een rijksdaalder in 2 helften, die hij, afzonderlijk gevouwen, als helen uitgaf. De eerste keer gelukte dit, de tweede keer faalt de truc en wordt hij gegrepen. In een brief van pater K. aan de Minister van Justitie, 15 juni 1929, voorspelt deze reclasseerder “dat deze voorwaardelijke veroordeling op een mislukking zal uitlopen. Zelden of liever nooit hebben wij een knaap gezien, die zo onverschillig was als hij; niet alleen tegenover zijn ouders, maar ook tegenover ons.

Daarenboven is hij al een drinker en een dobbelaar, zodat zelfs de moeder begreep dat hardere maatregelen nodig waren. Zij zelf is machteloos om de jongen te leiden, terwijl de vader hem steunt. Tenslotte is controle op het naleven der voorwaarden zo goed als onmogelijk. Hij woont aan een der uithoeken van Oss, dicht bij het huis (aan de rand van de gemeente Berghem) van een vrouw waar hij niet mag komen volgens de voorwaarden.”

De pater achtte het nutteloos een rapport ter voorwaardelijke veroordeling in te dienen. Nu deze echter toch is uitgesproken, en nu alle omstandigheden zo ongunstig zijn, verzoekt hij beleefd maar dringend van het opgedragen toezicht te worden ontheven. Op de brief moet wegens uitblijven van antwoord medio November worden gerappelleerd, hetgeen de vraag doet rijzen wat er dan inmiddels met de opdracht van toezicht gebeurd is. Nagel stelde vast, dat Ceelen in december 1929 met de straatmakers in Naarden arbeidt, dus zónder toezicht is.

Daarna wordt de vereniging van het toezicht ontheven en weer later neemt zij, in overleg met de Hoofdambtenaar, in naam het toezicht weer over, waarbij de Hoofdambtenaar zijn rapporten namens Oss inzendt. Als de straf ten uitvoer gelegd moet worden wegens een nieuw feit, op 26 juni 1930, tekent pater K. aan: “dit is reeds de tweede van drie, die tegen het rapport in een voorwaardelijke veroordeling kregen en met wie het mis ging.” Een merkwaardige poging tot misdrijf wordt in zijn (straf)documentatie niet vermeld, maar door de marechaussee medegedeeld: op een zeker ogenblik krijgt Ceelen een tijdschrift onder ogen waarvan de geabonneerde gratis tegen ongevallen waren verzekerd. Hij neemt abonnementen op zoveel van dergelijke tijdschriften als hij maar vinden kan en, aldus in veelvoud verzekerd, legt hij zijn linkerwijsvinger op het hakblok. Een kameraad zal slaan, maar die wordt op het laatste wat al te gek en hij weifelt. Ceelen ontneemt hem driftig de bijl en hakt de vinger er in twee slagen af.

Van de roofoverval in Deurne, waarvoor de marechaussee hem eindelijk te pakken kreeg, moet hij door de rechtbank in Roermond worden vrijgesproken als Van der Putten, getuige à décharge, hem helpt met een meineed. Hij heeft voor het eerst detective-stories gelezen in de gevangenis en vertrouwt Nagel toe dat zij hem een openbaring zijn. Als zij daar eerder kennis van gehad hadden, wat zouden zij geraffineerder in hun misdadigheid geweest zijn! Nu waren zij toch eigenlijk o zo naïef. Hij zegt verder: “Daarom is wat de krant ervan gemaakt heeft eigenlijk belachelijk overdreven, hoewel ik begrijp dat het publiek ook wat moest hebben.

Van 1932 tot 1934 werkte onze groep samen. Vooral Van der Putten was erg naïef. Ik schold hem eens uit, omdat hij zonder handschoenen gewerkt had, want zoveel wist ik er wel van, dat dat niet kon; ik deed dat ook nooit. Toen antwoordde hij: “Wel, ik snijd straks het eelt uit mijn handen, en dan zie ik er niets meer van”. Wanneer wij een georganiseerde bende gehad hadden, wat zouden we dan wel niet hebben kunnen bereiken, met dat wat wij durfden!”

Over de politie zegt hij tegen prof. Nagel: “Ik ben ervan overtuigd, dat in een grote stad onze praktijken nooit de vlucht hadden kunnen nemen van toen in Oss. De politie zou ons allicht de eerste, stellig de tweede keer opgesnord hebben en dan was het uit geweest. Aan de stommiteit van de dorpspolitie is het te danken, dat alles zo lang heeft kunnen duren. Ik heb me dikwijl over hun domheid vrolijk gemaakt. (Dat klopt met de inlichtingen van Van Kempen. “Verdachte was een liefhebber om de politie te sarren”, N.)

Daar is bijvoorbeeld het geval van Uden met die overval. Ik zat in Roermond voor Deurne, toen ze mijn jas hadden gevonden. Twee marechaussees komen bij mij en ondervragen mij naar die jas. Ik houd me eerst dom en zeg: “Wacht, daar moet ik eens over nadenken” Ondertussen lezen ze mij het hele verhaal voor van wat iemand gezegd had en die en die, en ondertussen besef ik wel dat ik dit onderdeel nooit kon ontkennen, omdat ik dan vast zit. Wat dom om je eerst de verklaringen van getuigen voor te lezen! Maar zo waren ze. Ze wilden, dat ik bekende en maakten zich tegenover mij sterk met hun getuigen. Van Kempen ranselde ons ook, maar niet zoveel als de marechaussee. De houding van die mensen tegenover ons, althans mij, was zeer verschillend naar gelang zij ons ontmoetten vóór en na de bekentenissen. Zij probeerden ons voordien op allerlei manieren te nemen.

Zo namen ze mij eens een keer mee, toen ik op de racefiets rondtoerde. Hun manier van spreken was dan: “Zo, ben jij nu die gevaarlijke Ceelen? Steek nou ook eens een poot uit tegen me, toe nou als je een kerel bent!” Ik stond dan maar wat beleefd te lachen, want ik weet, dat ze elke onvoorzichtige beweging van mij zouden aangrijpen als voorwendsel om mij af te tuigen.

Ze namen mij dus eens zo maar van de straat mee om naar een revolver te zoeken. Ik moest me helemaal uitkleden, maar een revolver hebben ze nooit gevonden. Had ik eens een verkeerskwestie voor de kantonrechter. De marechaussee had verkeerde dingen in het procesverbaal gezet en ik heb ze daar voor de kantonrechter een beetje mee getreiterd. Dat konden ze natuurlijk moeilijk zetten en dat met die revolver was het naspel. De een gaf mij een klap in het gezicht. “Heb nou ook es weer zo’n grote mond, hé?” De ander schopte me.

Het gekke is, dat ze op deze wijze niets van ons gedaan kregen. Toen ik namelijk bekend had, draaiden zij om als een blad aan een boom. Het was dan “Jan” voor en na, en bleven heel lang bij me praten. Een van hen vertelde mij eens het volgende, wat mij zeer frappeerde. Hij was zo erg op mij gebeten geweest, en had zich zo geërgerd aan het feit dat ik maar vrij bleef rondlopen, dat hij het plan opvatte om mij dood te schieten. Dat zou dan gebeuren ‘s avonds in het veld, zonder getuigen en hij zou dan later verklaren dat ik hem had aangevallen!

Dat is het merkwaardige: deze mannen maakten er een persoonlijke wrok van tegen ons. Zo gaat bij ons het verhaal, dat een marechaussee eens bij Peer de Bie thuiskwam. Die z’n vrouw was al weg. Peer was bezig brood klaar te maken voor z’n kinderen. Het broodmes lag op tafel. Een marechaussee zei: “Zo, ben jij nou die geweldige Peer de Bie? Heb het hart nou es in je lijf en neem dat mes nou eens tegen mij op!” Peer was op de uitdaging niet ingegaan, want het was natuurlijk duidelijk dat die marechaussee klaarstond om klappen uit te delen. Mintjes – wachtmeester der marechaussee – was een kalme man, niet gemeen. De gemeentepolitie werkte ons tegen bij het zoeken van werk.”

Ceelen houdt er bij zijn laatste roofovervallen een bepaald boevenpak op na, een bruin manchester pak, waarvan hij de revers met een sluitspeld dichtmaakt. Bij een huiszoeking is dit boevenpak bij zijn zwager, met de sluitspeld nog aan de revers, inderdaad in beslag genomen. Uit een oogpunt van gemiste speciale preventie is, na zijn vrijspraak van de overval te Deurne, ook het eerste verloop van de moordzaak van belang.

Een wachtmeester is de dag na de moord, toen hij per rijwiel van de kazerne naar de vindplaats van het lijk reed, door Ceelen aangehouden, die hem de mededeling deed dat Van der Pas “vermist” werd. Het staat nu vast dat Ceelen dan weet dat het lijk is gevonden, zodat het zich zelfstandig wenden tot de wachtmeester een koene zet is om zijn onbevangenheid aan te tonen. Maar de uitvoering van deze tactische beweging is nog erg gebrekkig.

Het valt de wachtmeester op dat de anders zo brutale Ceelen zenuwachtig is en staat te sidderen. Anders blozend, is hij nu wit. De wachtmeester vindt dit zo merkwaardig dat hij Ceelen, wiens betrekkingen met de vrouw van de verslagene hij vermoedt, meteen maar in politiebewaring neemt. De rechter-commissaris, die dan al in Oss is, neemt hem aldaar een verhoor af, waarna Ceelen in vrijheid gesteld kan worden. En hierna misdrijft hij eerst in Mei 1933 één keer en dan volgt zijn grote serie roofovervallen na Januari 1934.

Men kan aannemen dat de moord op Van der Pas op Ceelen zelf een diepe indruk gemaaktheeft en dat hij dit misdrijf zelf buiten zijn “gewone” criminaliteit rekent. In al zijn veelzijdige en uitvoerige beschouwingen roert hij deze zaak tegenover Nagel niet aan. De overwinning die de politie op hem behaalde in 1935 werd juist op deze frontsector bevochten en toen die sector ineenstortte heeft hij de rest als van weinig belang bekend. De neiging bestaat, ook in de vele politierapporten ontmoet men haar, om de laatste beweegredenen tot zijn bekentenis als te eenvoudig te zien. Men meent dan óf dat de sluwe Ceelen is bezweken voor het bewijs dat inderdaad zo opgestapeld is, dat het iedere rechter zal moeten overtuigen, óf dat de berouwvolle bekentenis het resultaat is van de strijd in zijn binnenste gestreden.

Deze gedachten zijn te zeer alternatief; eerder zal een combinatie van de twee elementen de balans hebben doen overslaan. Geplaagd door wroeging, maar tegelijkertijd van zijn vijand, de politie, het uiterste vergend, heeft Ceelen op een gegeven moment het hoofd rustig in de schoot kunnen leggen toen zijn intelligentie hem voorgerekend had dat hij volledig schaakmat was. Deze grote twijfel en al deze spanningen worden bij het lezen der verbalen bijna tastbaar.

Het moet de wachtmeester De Gier als een grote verdienste worden toegerekend dat hij het opsporingswerk der marechaussee heeft kunnen bekronen met déze bekentenis, aldus professor Nagel. Hoe moeilijk het ook is en hoeveel geduld het ook vraagt in een onderzoek van feit naar feit te vorderen, het psychologisch overwicht om verdachten en getuigen verklaringen te laten afleggen die zij bij de aanvang van het onderzoek nog stellig van plan zijn voor zich te houden, is vaak wonderbaarlijk.

De vraag of het berouw van Ceelen echt of vals was, toen hij in tranen zijn schuld beleed en openbaar gaf “het vreselijke geheim dat ik steeds nadien als een zware steen op mijn hart droeg en dat mij nimmer met rust liet” (met deze reactie in directe rede maakt de marechaussee het al éven mooi), is in het bovenstaande beantwoord. Voor zijn rechters breekt hij weer in tranen uit en betuigt hij zijn spijt. Dit berouw was echt, maar het kan kritisch worden bekeken.

Want na de eerste maanden en vooral als hij eenmaal veroordeeld is, krijgt Nagel de indruk, dat hij zijn straf opknapt, met het gevoel dat het daarmee nu ook uit kan zijn en dat hij zich nu weer onbezorgd vrolijk kan maken over de politiemannen, die hij zo lang om de tuin heeft kunnen leiden. Behalve des zondags gaat hij ook eenmaal in de week naar de gevangeniskerk.

Hij zegt dat het geloof maakt dat je makkelijk door de straf heen komt. Overigens is het, afgezien van het zondige ervan natuurlijk, ook zo dom om misdadiger te zijn; je wint er zo weinig mee en je zit de beste dagen van je leven in de gevangenis, aldus een overpeinzing van Ceelen. Over de toekomst heeft hij een verstandige gedachte; wij moeten ons verspreiden als we er weer uit zijn, zegt hij. De jongeren gaan in Oss altijd tegen de ouderen opzien en dat is helemaal mis. Hij wil graag weer werken, bijvoorbeeld bij de wegenbouw, daar houdt hij wel van. Nagel leest in zijn gestichtsstrafregister dat men in zijn cel gevonden heeft: de helft van een grote kleermakersschaar en een moersleutel. Beide nogal geschikt om dienst te bewijzen bij een uitbreekpoging.

Gelet op de datum van aanhouding (27 maart 1935) en de totale straf van 18 jaar zou Ceelen op 27 maart 1947 voorwaardelijk in vrijheid zijn gesteld (2/3 van 18 jaar). Johannes Petrus Ceelen, geboren op 19 april 1912 te Oss, overleed op 1 januari 1992 in de leeftijd van 79 jaar te Kerkrade in de Lückerheide- kliniek.

Auteur: Frans Ceelen

Share 'Advocaat Jan Hein Kuijpers in Bende van Oss' on Facebook Share 'Advocaat Jan Hein Kuijpers in Bende van Oss' on NUjij Share 'Advocaat Jan Hein Kuijpers in Bende van Oss' on Twitter


01-Camilleri-468x60-webbanner