U bent nu hier: Home » Maffia » Gangs in Nederland

Gangs in Nederland

Nederland telt volgens de politie zeker 1800 lastige jeugdgroepen. Daarvan zouden er ongeveer 100 echt ‘crimineel’ zijn. VU-onderzoeker Frank van Gemert constateert dat de overheid de werkelijkheid ontkent, door het bestaan van ‘jeugdbendes’ te ontkennen. Bestaan er jeugdbendes in Nederland? Volgens de media wel, zoekt u maar eens in een databank. ‘Criminele jeugdbendes’ bestaan ook; Google produceert de één na de andere, uit allerlei windstreken. Volgens het NOS-Journaal waren er in 2005 in Rotterdam criminele jeugdbendes. In Franse voorsteden zijn ze er natuurlijk ook en in Engeland is Gangs and Guns een gevleugelde woordcombinatie in de Engelse krantenkoppen. Het programma Premtime maakte een reportage over Amsterdamse jongeren die zich Bloods noemden. ‘Is dit een gang zoals we die kennen uit Los Angeles?,’ vroeg de presentator zich af.

Als men in Nederland twijfelt over het bestaan van jeugdbendes dan verwijst men, om die vraag te beantwoorden, steevast naar de Amerikaanse gangs. Dat is de stelling van criminoloog Frank van Gemert van de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij bestudeerde de verschillende definities die voor criminele jeugdgroepen bestaan en schreef er een artikel over. Een hele rij Nederlandse wetenschappers hebben zich gebogen over tal van criteria. Hoe zijn ze georganiseerd? Gebruiken ze symbolen om zich te organiseren? Zijn ze territoriaal gebonden? Van Gemert: ‘Er is een scala aan definities opgesteld, maar geen één is door de wetenschappers en professionals als consensus aanvaard.’

Crips & Bloods

In de grote steden van Noord-Amerika zijn er sinds het einde van de 19de eeuw straatbendes actief, meestal verdeeld naar etnische komaf. Het verschijnsel jeugdbende is van na de Tweede Wereldoorlog. Toen ontstonden motorbendes en met name aan de Westkust, jeugdbendes onder de zwarte en Latijns-Amerikaanse bevolkingsgroepen. Bloods en Crips zijn jeugdbendes die van oorsprong uit Los Angeles stammen. Ze zijn allebei ontstaan aan het begin van de jaren zeventig. Er zijn in de Verenigde Staten naar schatting zo’n 15.000 Bloods en ruim 30.000 Crips.

Bloods dragen rode kleuren en komen voornamelijk uit de zwarte bevolkingsgroep. Crips dragen blauw en hebben een iets gevarieerdere achterban, hoewel die ook met name Afro-Amerikaans is. Blood staat voor Be Loyal Or Otherwise Die. Crip is een afkorting van Community Restoration in Progress en dat was oorspronkelijk niet cynisch bedoeld. De term komt voort uit activistische Black Panther-retoriek. De mythe is dat Bloods en Crips vooral elkaar eeuwig bloeddorstig bevechten. Maar ze bevechten ook andere gangs als Folk Nation, Gangster Disciples, La Raza, Latin Kings en People Nation. Ook verschillende subgroepen (sets) van Crips en Bloods staan elkaar naar het leven. Meestal zijn dat territoriale conflicten die samenhangen met de controle over de drugshandel in dat gebied.

De Crips in Nederland hebben een eigen website, genaamd Dutch Crips.

Een constante factor in al die studies zijn de verwijzingen naar gangs uit de Verenigde Staten. In de jaren negentig bleken vooral in Den Haag jongeren zich uit te dossen met de blauwe kleuren van de Crips. Vooral jongeren van Surinaamse en Antilliaanse afkomst identificeerden zich met leden van die gangs uit de Noord-Amerikaanse steden. Van Gemert: ‘De situatie in de Verenigde Staten verschilt nogal met die in Nederland. Jeugdbendes in de VS kunnen economisch zelfstandig zijn door de handel in drugs op lokaal niveau, met name cocaïne en marihuana. De meeste jeugdgroepen hier in Nederland hebben weinig economische peilers. Wat zij doen is vooral in de vrijetijdssfeer te plaatsen. Verveling speelt een hele grote rol. Gang-symbolen gebruiken jongeren naar eigen goeddunken. Hier kun je bij wijze van spreken in het weekend rode symbolen laten zien en doordeweeks blauwe. In Amerikaanse getto’s kan dat je dood betekenen. Een aantal Nederlandse groepen gaat momenteel wel vrij ver in het gebruik van die Amerikaanse gang symboliek, inclusief alle rangen en standen en de bijbehorende symboliek. Maar het blijft imitatie.’

Van de Amerikaanse bendes is een hardnekkig beeld ontstaan: ze hebben vaste uiterlijke kenmerken, zijn vaak territoriaal gebonden, gebruiken zeer specifieke mores en zijn hiërarchisch georganiseerd. ‘Men realiseert zich niet dat dit stereotypen zijn,’ zegt Van Gemert: ‘Ook de Amerikaanse realiteit is anders, onderzoek heeft dat herhaaldelijk aangetoond. Toch vormen in de praktijk in veel studies en beleidsdocumenten deze Amerikaanse beelden toch een dwingend referentiekader. Misschien vormen de uiterlijke kenmerken van Amerikaanse stereotypes een dwaalspoor voor wetenschappers en beleidsmakers die de groepen willen definiëren. Niet iedereen die blauw of rood draagt is ook werkelijk een bendelid. Doordat wetenschappers het Amerikaanse stereotype van jeugdbendes in hun definities gaan meenemen, ontstaat volgens Van Gemert een paradoxale situatie: ‘Er zijn veel definities maar er worden in Nederland weinig bendes gemeld. Door te refereren aan Amerikaanse stereotypes en vervolgens de term jeugdbende als niet passend terzijde te schuiven wordt het probleem verkleind,’ zegt Van Gemert.

Want hoe je de criminele jeugdgroep ook definieert, er is wel degelijk wat aan de hand. Dat blijkt ook uit de cijfers over jeugdgroepen die de politie eind oktober naar buiten bracht. Het is voor het eerst dat alle losse informatie uit de politiesystemen bij elkaar is gelegd, om een nationaal beeld te krijgen. Het geharrewar over definities in wetenschappelijk onderzoek ten spijt, melden de straatagenten allerlei overlast en criminaliteit van jeugdgroepen.

Volgens Van Gemert zijn gemeenten als Den Haag en Amsterdam in het algemeen terughoudend met de term jeugdbende: ‘Het Amsterdamse gemeentebestuur wil er niet aan. Tenminste, dat blijkt als ik hun rapportages tot op heden lees. Ze gebruiken net als alle gemeenten een driedeling: hinderlijke, overlastgevende en criminele jeugdgroepen. Het woord ‘jeugdbende’ komt niet voor in die rapportages, terwijl het wel is opgenomen in het instrument dat de politie gebruikt om groepen te inventariseren. Wil je daarmee een groep als jeugdbende kunnen bestempelen, dan moet die zo ongeveer de structuur en cohesie van Coppola’s maffia hebben.’ Van Gemert verklaart die terughoudendheid uit de wens van beleidsmakers zélf te willen uitmaken hoe ernstig de problemen zijn en niet afhankelijk te zijn van hypes in de media over bijvoorbeeld Crips of Bloods of Marokkaanse jeugdbendes. Er is beperkte capaciteit en geld en daarom wil een gemeente hier wat kunnen temperen en daar wat kunnen opkloppen. Zo heeft men de vrijheid een probleem te lijf te gaan als dat urgent wordt gevoeld. Dat zie je heel erg mooi bij de jeugdbendes. Wij bepalen zelf wel wanneer we een probleem hebben. Men maakt het in de definiëring heel zwaar, waardoor de conclusie kan zijn: wij hebben dus geen jeugdbendes. Bovendien ligt het ‘J-woord’ altijd gevoelig. Jeugd is zo belangrijk dat een jeugdprobleem in de opinievorming en de politiek ineens alle kanten kan uitvliegen.’

Gezien die opstelling van de gemeenten is het opvallend dat de politie in oktober 2008 landelijke cijfers onder jeugdgroepen naar buiten bracht. RTL-nieuws pakte er groot mee uit. Van Gemert: ‘Ik kan me voorstellen dat de politie achteraf misschien heeft gedacht: was dit nou de bedoeling? Anderzijds vindt men het nu bij de politie misschien tijd om het temperen te stoppen en het beestje eens bij de naam te noemen. Een hoge politieman in Amsterdam sprak zich dit voorjaar ook al uit over ‘nieuwe Holleeders’, toen bleek dat jongens uit de beruchte Diamantbuurtgroep elders in het land pittige overvallen hadden gepleegd. Toen stond pardoes het woord jeugdbende op de voorpagina van Het Parool.’

Scholen zijn bij uitstek ook terughoudend met het naar buiten brengen van ongewenste maatschappelijke ontwikkelingen. Een negatieve spiraal van slechte publiciteit en ouders die hun kinderen naar een ‘betere’ school sturen kan leiden tot een enorme reductie in de aantallen leerlingen. Van Gemert: ‘Aan de andere kant is de onderwijscultuur in het algemeen heel erg soft. Dat komt voort uit het idee dat het kind beschermd moet worden. Een harde aanpak ligt daarin niet besloten. Dat zie je op de middelbare scholen, maar op de basisscholen nog veel beter.’

De scholen zien ook een steeds veranderende leerlingenpopulatie de poorten instromen. De manier waarop jongeren zich op straat manifesteren is niet te vergelijken met twintig jaar geleden en is nog steeds voortdurend in beweging. Van Gemert: ‘Jongeren claimen de straat als hun terrein en gaan daarbij bedreiging, intimidatie en vandalisme niet uit de weg.’ Overlast is geen strafrechterlijk begrip, maar in de buurt wordt dat terecht of onterecht vaak ervaren als crimineel.

Tegelijk is het aloude correctiemechanisme – even langs de ouders van zo’n lastpak gaan – teloor gegaan. ‘Men kent elkaar minder. “Ik weet waar je woont”, dat werd vroeger tegen mij gezegd als ik buiten speelde en daar kennelijk aanleiding voor gaf. Datzelfde zinnetje wordt nu andersom gebruikt door die jongens op straat als bedreiging. Die mensen bedenken zich dan wel om naar de politie te gaan. Daar komt dan nog bij dat de politie niet goed uit de voeten kan met overlastgevend gedrag. Je kan een rotjongen niet zomaar een paar dagen vastzetten. Overlast zit niet in het strafrecht.’

Commotie zoals die rond Gouda en het inzoomen van de media op een wijk als Kanaleneiland in Utrecht doet de zaak geen recht, vindt Van Gemert. ‘Die groepen worden dan opgeblazen tot proporties die ze vaak helemaal niet hebben. Als ik politiemensen hoor spreken denk ik vaak: weet je nou wel wie je voor je hebt? Agenten vertellen dan over die stereotype kenmerken van: dat is de leider en het is een criminele organisatie met internationale connecties. Incidenteel komt het misschien wel voor, maar ik ken die gevallen niet. Meestal praat je het over jongens van 15 en 16 jaar die niet eens de slimste zijn.’

Een door de media uitvergroot incident zou er wel toe kunnen leiden dat gemeenten en politie zich expliciet op het fenomeen gaan richten. ‘Het is wachten op dat ene moment. Nog een Diamantbuurt-akkefietje, een ernstige mishandeling, een massale vechtpartij. Of een oude man die in zijn bed sterft omdat er een vuurpijl naar binnen is geschoten. Als een criminele groep jongeren zoiets uithaalt, dan kan de politie of de burgemeester het momentum gaan benutten: nu is het tijd om dat softe gedoe met overlastgevende jeugd achter ons te laten! En pardoes staat er op de voorpagina: Jeugdbendes in de stad!’

Auteurs: Wim van de Pol en Archie Barneveld

Share 'Gangs in Nederland' on Blogger Share 'Gangs in Nederland' on eKudos Share 'Gangs in Nederland' on Facebook Share 'Gangs in Nederland' on Google+ Share 'Gangs in Nederland' on NUjij Share 'Gangs in Nederland' on Pinterest Share 'Gangs in Nederland' on Twitter Share 'Gangs in Nederland' on Wordpress Share 'Gangs in Nederland' on Email Share 'Gangs in Nederland' on Print Friendly Share 'Gangs in Nederland' on QRSrc.com


01-Camilleri-468x60-webbanner